Na achttien zomers Frankrijk dreigt onze vaste vriendenvakantie te breken omdat wij onze dochter wilden meenemen
Ik wist dat er iets mis zat toen Els in onze groepsapp alleen een duimpje stuurde op mijn bericht over Sophie en Daan. Els stuurt normaal gesproken spraakberichten van drie minuten, met onderweg een verhaal over haar buurvrouw, een recept dat ze ergens had gezien en de vraag of iemand nog weet waar we vorig jaar die rosé haalden.
Dit keer schreef ik: “Leuk nieuws: Sophie en Daan willen misschien een paar dagen aansluiten in de Ardèche. We kijken even hoe dat past met de kamers.”
Henk reageerde helemaal niet. Els dus alleen met dat duimpje.
Wij gaan al achttien jaar met Henk en Els naar Frankrijk. Eerst waren onze kinderen klein en gingen ze nog wel mee, allemaal door elkaar, met opblaasbeesten in het zwembad en ruzie over wie boven mocht slapen. Maar toen de kinderen ouder werden, kwamen er sportkampen, bijbaantjes, vriendjes en uiteindelijk huizen van zichzelf. De vakantie werd van ons vieren.
Meestal zoeken we in januari iets op Gîtes.nl of via een Frans verhuurkantoor. Een oud huis, niet te chique, wel een zwembad en een terras waar je tot laat kunt zitten. Henk doet de route en wil per se via Luxemburg vanwege de benzine, hoewel ik volgens mij al tien jaar zeg dat het verschil nauwelijks iets uitmaakt. Els kookt de eerste avond altijd pasta omdat niemand na zo’n reis nog zin heeft om ingewikkeld te doen. Marijke en ik regelen de boodschappen in het dorp.
Het klinkt misschien simpel, maar voor mij was het een vast punt in het jaar. Geen verjaardagen waar je op tijd weg moet omdat de kleinkinderen naar bed moeten. Geen appjes van werk, al ben ik al drie jaar met pensioen. Geen gedoe over wie op zondag bij wie eet. Gewoon vier mensen die elkaar zo goed kennen dat stilte niet ongemakkelijk is.
Juist daarom snap ik nog steeds niet helemaal hoe ik zo stom heb kunnen zijn.
Sophie is 34, woont met Daan in Utrecht en werkt in de zorg. Ze had vorig jaar een zware tijd. Niet dramatisch op een manier die je netjes kunt uitleggen, maar ze zat gewoon niet goed in haar vel. Daan was een paar maanden zonder werk geweest en zij draaide veel diensten. Als we haar zagen, keek ze vaak op haar telefoon alsof ze elk moment weer weg moest.
Met Pasen zei ze bij ons aan tafel: “Pap, weet je nog dat huisje in Frankrijk met die scheve trap? Ik zou daar eigenlijk best eens met jullie heen willen. Nu ik niet meer mee hoef met een luchtbed en een Donald Duck-handdoek.”
Marijke werd daar meteen zacht van. Ik ook, als ik eerlijk ben. Je kinderen zijn volwassen en dan zijn ze natuurlijk gewoon hun eigen leven aan het leiden, zoals het hoort. Maar als ze ineens zeggen dat ze tijd met je willen doorbrengen, voelt dat ook als iets waar je niet te lang over moet nadenken.
Ik zei tegen Sophie dat ik het met Henk en Els zou bespreken. Dat heb ik ook gedaan, maar kennelijk op de meest halfslachtige manier denkbaar. Tijdens een etentje bij ons, na twee glazen wijn, zei ik iets als: “Sophie en Daan lijken het leuk te vinden om misschien een paar dagen langs te komen deze zomer.”
Els zei: “O ja?”
Henk vroeg hoeveel kamers het huis had.
Daarna ging het over zijn nieuwe knie en over de prijzen van olijfolie. Ik heb dat opgevat als: we zien wel. Marijke zei later nog in bed dat Els niet heel enthousiast klonk. Ik vond dat ze het te groot maakte.
We hadden dit jaar een huis met vijf slaapkamers. Ruimte genoeg, dacht ik. Sophie en Daan zouden vliegen op Lyon en dan een auto huren. Ze wilden acht dagen komen, overlappend met onze tweede week. Ik vertelde haar dat het waarschijnlijk kon. Waarschijnlijk. Dat woord heb ik later nog vaak teruggehoord in mijn hoofd.
Twee weken geleden belde Sophie op een woensdagmiddag. Ik stond net bij de Praxis om een lamp voor de bijkeuken terug te brengen.
“Pap, we hebben geboekt,” zei ze. “Daan kon ineens vrij krijgen. Het was nu of helemaal niet.”
Ik voelde een steek in mijn buik, maar ik zei toch: “Wat leuk, meid.”
Thuis vertelde ik het aan Marijke. Zij werd wit om haar neus. “Maar we hebben nog geen ja van Henk en Els.”
“Ze komen toch niet voor hen? Het is ons huis ook. We betalen allemaal een kwart.”
“Dat is precies het probleem,” zei ze. “Het is niet ons huis.”
Die avond hebben we Henk en Els gebeld. Niet geappt, want dat voelde laf. Els nam op. Ik hoorde aan haar stem al dat Henk naast haar zat.
Ik legde uit dat Sophie en Daan tickets hadden geboekt. Dat ze acht dagen zouden komen. Dat ze heus niet van ons verwachtten dat we elke dag samen dingen gingen doen.
Els bleef lang stil. Toen zei ze: “Pieter, ik vind het heel lief dat Sophie mee wil. Echt. Maar wij gaan juist mee omdat het een vakantie zonder kinderen is.”
“Ze is vierendertig,” zei ik, veel te snel.
“Ik weet dat ze geen kind is,” zei Els. “Maar ze is jullie dochter. Dan verandert alles toch?”
Henk nam de telefoon over. Hij klonk boos, maar vooral gekwetst. “We hebben dit achttien jaar samen gedaan. Als jullie iets anders willen, moet dat kunnen. Alleen niet alsof het al besloten is en wij het daarna mogen aanhoren.”
Ik werd defensief. Ik zei dat acht dagen geen ramp was. Dat ze flexibel konden zijn. Dat je op onze leeftijd toch ook niet alles in beton moest gieten.
Daarop zei Henk: “Dan zijn wij blijkbaar rigide. Maar als Sophie en Daan komen, komen wij niet.”
Ik weet nog dat ik naar de fruitschaal keek terwijl hij dat zei. Er lagen drie verschrompelde mandarijnen in. Zo’n onbenullig detail, maar ik keek ernaar alsof ik daardoor niet hoefde te reageren.
Marijke begon te huilen nadat we hadden opgehangen. Niet hard, meer boos huilen. Ze zei dat ik onze vrienden voor een voldongen feit had gezet en dat ik nu deed alsof zij de moeilijkste mensen ter wereld waren. Ik zei dat zij het ook hadden kunnen zeggen toen ik ernaar vroeg.
“Je vroeg het niet,” zei ze. “Je gooide het tussen de olijfolie en Henks knie.”
Dat was gemeen, maar niet onwaar.
Sophie weet inmiddels dat er gedoe is. Niet alles. Ik heb gezegd dat Henk en Els liever met z’n vieren gaan, en dat we aan het kijken zijn hoe we het oplossen. Ze zei meteen dat ze de tickets wel kon omboeken, maar dat kost geld en Daan krijgt waarschijnlijk niet nog een keer tegelijk vrij. Daarna deed ze heel luchtig: “Geeft niet hoor, pap, jullie vakantie is jullie vakantie.”
Juist dat luchtige maakte het erger. Alsof ze al had besloten dat ze zich er niet tussen moest dringen.
Henk stuurde gisteren een bericht. Geen lange uitleg. Alleen: “We moeten uiterlijk vrijdag weten waar we aan toe zijn, anders annuleren wij onze helft en regelen we zelf iets.”
Marijke wil dat we Sophie bellen en eerlijk zeggen dat ik te voorbarig ben geweest. Ik wil dat eigenlijk ook, maar ik krijg het niet over mijn hart. Tegelijk zie ik Henk en Els voor me in dat huis, beleefd doen tegen Daan terwijl ze zich eigenlijk buitengesloten voelen van iets wat altijd van ons vieren was.
Vanmiddag heb ik de verhuurder gemaild met de vraag of er in de buurt misschien een klein appartement vrij is voor acht nachten. Waarschijnlijk niet in juli, en zeker niet voor een redelijke prijs. Maar ik moest iets doen.
De mail staat nog onbeantwoord. Vrijdag komt snel dichterbij.