Mijn man wilde minder leven, maar ik dreigde mijn vrienden kwijt te raken

Afgelopen dinsdag haalde ik een pakje roomboter uit de koelkast en legde het terug alsof het iets verboden was. Dat klinkt belachelijk, ik weet het. Maar sinds Paul met pensioen is, denk ik bij de gewoonste dingen na over wat hij ervan zal vinden.

Hij is 66, ik ben 64. We wonen in Amersfoort, in het huis waar onze kinderen zijn opgegroeid. Paul werkte vroeger bij een verzekeraar, altijd in pak, altijd onderweg, altijd moe. Toen hij twee jaar geleden stopte, dacht ik eerlijk gezegd dat we eindelijk rustiger zouden gaan leven. Een paar dagen weg met de caravan. Oppassen op de kleinkinderen. Misschien eindelijk die cursus Italiaans waar hij het al jaren over had.

In plaats daarvan begon hij podcasts te luisteren. Over klimaat, over consuminderen, over ultrabewerkt voedsel, over de onzin van altijd maar kopen. Eerst vond ik het goed voor hem. Hij viel wat af, fietste elke ochtend naar het bos en kookte ineens linzensoep waar hij vroeger nog geen blik bonen wilde aanraken.

Maar langzaam werd het meer dan gezonder leven.

Paul verkocht zijn auto en vond dat onze tweedehands Volvo eigenlijk ook weg moest. Hij trok de thermostaat lager. Hij zegt niet meer: ‘Wat zullen we eten?’ Hij zegt: ‘Hebben we dit nodig?’ Bij elk nieuw jasje van mij kijkt hij niet eens boos, eerder teleurgesteld. Dat is misschien nog erger.

Onze vriendengroep kent elkaar al sinds de kinderen op de basisschool zaten. Wij zijn met z’n tienën: vijf stellen, al zijn Henk en Marijke sinds vorig jaar gescheiden. Elke eerste zaterdag van de maand eten we bij iemand thuis. Niet chic-chic, maar wel uitgebreid. Een stoofpotje, goede wijn, dessert. In de zomer gaan we varen bij Rob en Ingrid op de Loosdrechtse Plassen, in december doen we altijd iets met een restaurant en kerstverlichting.

Niemand heeft die regels ooit opgeschreven. Je neemt een fles mee als je wordt uitgenodigd. Je zegt niet bij binnenkomst dat de keuken naar frituur ruikt. Je bent op tijd, behalve Kees, want Kees is altijd te laat. En als iemand een beetje te veel drinkt, maak je daar de volgende ochtend geen groot verhaal van.

Paul begon daar doorheen te prikken alsof het allemaal toneel was.

Bij Ingrid thuis, vorig najaar, had zij een hele plank met kaasjes neergezet. Paul keek ernaar en zei: ‘Weten jullie eigenlijk hoeveel water en energie hierin zit, voor één avond gezellig doen?’

Het werd stil. Ingrid lachte nog en zei dat ze de kaas gewoon bij de markt had gehaald.

‘Dat maakt de koe niet ineens duurzaam,’ zei Paul.

Ik voelde mijn gezicht warm worden. Niet omdat hij helemaal ongelijk had. Ik eet zelf ook minder vlees dan vroeger. Maar er is een verschil tussen iets veranderen in je eigen leven en bij iemand aan tafel de brie aanklagen.

In de auto naar huis zei ik dat het onaardig was geweest.

Hij keek voor zich uit. ‘Waarom is het onaardig om eerlijk te zijn? We doen al dertig jaar hetzelfde. Eten, drinken, vliegen, cadeaus kopen. Niemand denkt ergens over na.’

‘Ze denken heus wel na.’

‘Niet genoeg, blijkbaar.’

Daar bleef het niet bij. Hij stelde in de appgroep voor om voortaan een “eenvoudige, plantaardige deelmaaltijd” te doen. Iedereen moest onbewerkte producten meenemen, liefst lokaal en zonder onnodige verpakking. Hij had er een lang bericht van gemaakt, met links erbij. Ik zag de drie puntjes verschijnen, verdwijnen, weer verschijnen. Uiteindelijk reageerde Marijke met een duimpje en daarna drie dagen niemand.

Toen appte Kees: ‘Paul, ik neem dan een zak aardappels mee en een pan water. Kan iemand zout regelen?’

Iedereen lachte met van die huilende gezichtjes. Behalve Paul.

Hij verliet de groep diezelfde avond. Ik vond dat kinderachtig, maar ik zei het niet meteen. Ik was moe van het sussen. Moe van steeds uitleggen dat Paul ‘zoekende’ was, alsof hij een jongen van twintig was die net ontdekt had dat de wereld ingewikkeld in elkaar zit.

In januari waren Rob en Ingrid vijftig jaar getrouwd. Dat wilden ze combineren met het feit dat wij allemaal dit jaar ongeveer veertig jaar bevriend zijn. Het plan werd een lang weekend Lissabon in september. Vier nachten, een klein hotel in de oude stad, geen overdreven luxe. Ze hadden er zichtbaar zin in. Ingrid stuurde foto’s van gele trammetjes en een terras met uitzicht over de stad.

Paul zei direct nee.

Niet alleen voor zichzelf. Hij zei tegen mij: ‘Jij gaat toch ook niet doen alsof een stedentrip met tien mensen noodzakelijk is?’

Ik zei dat niets noodzakelijk is, behalve misschien belasting betalen en af en toe naar de tandarts. Dat was flauw, maar ik was al boos.

Hij zei dat hij niet wilde dat ik vloog voor een weekend dat net zo goed in Deventer of Maastricht kon. En dat hij het raar vond dat ik zonder hem weg zou gaan.

Dat laatste kwam harder aan dan ik verwachtte. Paul is nooit jaloers geweest. Ik ben vaker zonder hem met mijn zus weg geweest, of een nachtje naar zee met Marijke. Maar dit voelde voor hem blijkbaar als een kamp kiezen.

‘Ik vraag je niet om thuis te blijven,’ zei hij later, toen ik huilend de vaatwasser stond uit te ruimen. ‘Ik vraag je om na te denken over wat je belangrijker vindt.’

Alsof ik niet nadacht.

Ik heb daarna twee weken niets in de appgroep gezegd. Ingrid belde me op een woensdagmiddag. Ik zat net met een boterham aan de keukentafel.

Ze zei: ‘Els, als je niet mee wilt, is dat echt oké. Maar we missen jou nu al een beetje.’

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Uiteindelijk zei ik dat Paul moeite had met vliegen. Dat klopte, maar het was zo’n klein stukje van wat er speelde dat ik me er laf door voelde.

Ingrid zuchtte. Niet overdreven. Gewoon menselijk. ‘Hij hoeft toch niet alles leuk te vinden wat wij doen?’

Daar had ik geen goed antwoord op.

Paul is geen slechte man. Dat wil ik echt gezegd hebben. Hij doet boodschappen voor onze buurvrouw van 82. Hij heeft vorige maand een kapotte lamp van mijn dochter gerepareerd zonder dat iemand het vroeg. Hij is zachter geworden sinds hij niet meer werkt, op sommige momenten. Maar hij kan ook kijken alsof je tekortschiet als je een cappuccino met havermelk bestelt in een koffietentje waar hij de bonen te duur vindt.

Vorige week heb ik mijn ticket naar Lissabon geboekt. Alleen het ticket. Ik heb het niet geheimgehouden; dat past ook niet bij mij. Ik vertelde het hem die avond, na het eten. We hadden geroosterde groenten met bulgur. Hij had veel te veel gemaakt, zoals altijd sinds hij zo bewust kookt.

Hij legde zijn vork neer en vroeg: ‘Dus je gaat echt?’

Ik zei ja.

Hij knikte, heel langzaam. Daarna vroeg hij of ik dan tenminste de CO2-uitstoot wilde compenseren. Ik zei dat ik daarover na wilde denken. Dat meende ik ook, al ergerde het me dat hij er op dat moment over begon.

Sindsdien is het niet echt ruzie. Misschien is dat juist het nare. Hij doet normaal, zet thee, vraagt hoe mijn werkdag bij de bibliotheek was. Maar er zit iets tussen ons in, als een deur die niet helemaal dicht kan en ook niet open.

Gisteravond vroeg hij of ik in Lissabon dan ook aan de rest wilde vertellen waarom hij niet meeging. Ik zei dat ik niet zijn woordvoerder ben.

Hij keek gekwetst. Ik ook, denk ik.

Mijn koffer staat nog niet klaar. Het is pas september. Maar ik heb wel nieuwe wandelschoenen gekocht, in de uitverkoop. Paul zag de doos in de gang staan en zei niets. Ik ook niet. Die avond hebben we allebei naar een andere serie gekeken, ieder met een kop thee op de bank.