Ik hing een camera op omdat ik steeds vreemde dingen in huis zag, en wat ik terugkeek maakte me misselijk

De eerste ochtend dat ik Noa naar de gastouder bracht, had ik zelf meer moeite met afscheid nemen dan zij. Zij was negen maanden, zat met haar speen in haar mond naar een houten trein te kijken en leek vooral geïnteresseerd in de kat van Marije. Ik stond in de gang met haar reservekleding, flesjes, slaapzak, een schriftje met haar ritme erin en volgens mij ook nog een halve drogisterij in mijn tas.

Marije zei dat ik rustig moest bellen als ik eraan toe was. Ze had zelf twee kinderen die al op de middelbare school zaten en ving al jaren kinderen op via een gastouderbureau. Haar huis rook naar koffie en wasmiddel. Alles zag er gewoon goed uit. Een hekje bij de trap, een box in de woonkamer, naamstickers op bekers. Precies het soort degelijk huis waar ik op had gehoopt.

Ik ben alleenstaande moeder. Noa’s vader woont inmiddels in België en ziet haar eens in de paar weken, als het uitkomt met zijn werk. We hebben geen ruzie, maar ik kan ook niet doen alsof ik op hem kan terugvallen als er iets is. Mijn moeder past één dag in de week op, ik werkte vier dagen als planner bij een installatiebedrijf in Amersfoort. Die drie andere dagen waren voor Marije.

Teruggaan na mijn verlof voelde al alsof ik iets verkeerd deed. Niet omdat ik niet wilde werken, ik wilde juist graag weer iets zijn naast alleen Noa’s moeder. Maar ik vond het verschrikkelijk dat iemand anders zou weten hoe ze haar in slaap kreeg, welke geluidjes ze maakte als ze moe werd, of ze haar broccoli uitspuugde of niet.

De eerste weken stuurde Marije netjes foto’s. Noa in de zandbak, Noa met een slab om, Noa slapend in de wandelwagen. Soms zat ik op kantoor naar zo’n foto te kijken terwijl mijn leidinggevende naast me iets uitlegde over een roosterwijziging, en dan voelde ik ineens een steek van schuld. Tegelijk was ik opgelucht. Noa lachte op bijna alle foto’s.

Na ongeveer een maand begon ik rare dingen te merken. Niet groot. Juist van die dingen waarvan je denkt: laat maar, ik ben moe.

Een keer stond er een andere mok in de gootsteen, zo’n enorme zwarte met een logo van een sportschool erop. Marije dronk altijd uit een gebloemde beker. Ik wist dat alleen omdat ik er elke ochtend koffie uit had gekregen. De keer erna rook het in de woonkamer vaag naar herengeur. Geen zware aftershave, meer zo’n frisse deodorantlucht.

Ik zei niets. Mensen hebben bezoek. Misschien was haar broer langsgekomen. Misschien beeldde ik het me in omdat ik mijn kind daar achterliet en overal een reden voor zocht om dat eng te vinden.

Toen vond ik op een dinsdag een peuk in de achtertuin, vlak naast de kliko. Marije rookte niet, dat wist ik zeker. Ik had daar bij de kennismaking nog naar gevraagd, omdat ik zelf vroeger astma had. Ze zei dat niemand in huis rookte en dat ze daar heel strikt in was.

Ik appte haar die avond: ‘Hé, misschien een gekke vraag, maar is er vandaag iemand in de tuin geweest die rookt? Ik zag een peuk liggen.’

Ze reageerde pas na een uur: ‘O ja, mijn neef was heel even langs. Hij had iets voor mijn man afgegeven. Ik heb meteen gezegd dat hij buiten moest blijven met roken hoor.’

Dat klonk niet eens onmogelijk. Alleen wist ik niet dat ze een neef had die zomaar onder opvangtijd langskwam. En waarom voelde ik me dan toch zo’n zeurende moeder omdat ik ernaar vroeg?

De vrijdag daarna kwam ik Noa ophalen en lag haar vestje, dat ik die ochtend schoon had aangedaan, opgevouwen op de commode. Het rook naar sigaretten. Niet heel sterk, maar sterk genoeg dat ik het thuis meteen in de wasmand gooide. Marije zei dat Noa tijdens het fruithapje had geknoeid en een ander shirtje aan had gekregen. Dat kon best. Ik knikte zelfs nog en zei: ‘Geen probleem.’

Maar in de auto begon ik te huilen. Niet hard. Gewoon tranen die bleven komen terwijl Noa achter me zat te brabbelen tegen haar knuffelkonijn.

Dat weekend kocht ik online een kleine camera. Ik schaamde me er kapot voor. Ik had er een in een plantenpotje kunnen nemen of zo’n echt verborgen ding, maar uiteindelijk koos ik een simpel wit cameraatje dat ik hoog op een kast in de woonkamer zette. Marije had toestemming om in mijn huis op Noa te passen op de donderdagen, omdat ik dan een vroege dienst had en mijn moeder pas later kon overnemen. We hadden die afspraak gemaakt omdat Noa thuis beter sliep.

Ik vertelde Marije niet dat die camera er hing. Dat zit me nog steeds niet lekker. Tegelijk dacht ik: als ik het vertel, zie ik alleen wat ze wil dat ik zie.

Die donderdag kon ik op mijn werk nergens anders aan denken. Ik maakte fouten in een planning, vergat een monteur terug te bellen en dronk drie slappe automatenkoffies zonder dat ik wist waarom ik zo misselijk was.

Pas ’s avonds, toen Noa in bed lag, keek ik de beelden terug.

De ochtend begon normaal. Marije gaf Noa een fles, zong zachtjes iets wat ik niet verstond, verschoonde haar en zette haar in de box. Ik voelde zelfs een moment van schaamte, omdat ze lief en rustig met haar omging.

Rond kwart over elf ging de bel.

Marije deed open en liet een man binnen die ik nog nooit had gezien. Hij droeg een donkerblauwe jas en keek één keer recht de woonkamer in. Hij zei iets als: ‘Is ze er?’ Marije lachte, zei dat Noa net sliep, en hij liep gewoon achter haar aan naar de keuken.

Hij bleef bijna veertig minuten.

Noa lag in haar bedje. De babyfoon stond op de eettafel, maar Marije en die man zaten buiten in de tuin. Ik zag hen niet steeds, alleen af en toe een arm of zijn jas langs het raam. Op een moment hoorde ik Noa huilen. Niet heel lang, misschien twee minuten, maar ik zag op de beelden dat Marije pas naar binnen kwam nadat de man iets tegen haar had gezegd.

Ik heb de video drie keer teruggekeken. Alsof ik bij de derde keer misschien zou zien dat het haar broer was, of een buurman met een kapotte cv-ketel, of iemand die er wel hoorde te zijn.

De volgende ochtend heb ik Marije gebeld voordat ik naar mijn werk ging. Ik wist niet goed hoe ik moest beginnen. Mijn handen trilden zo erg dat ik mijn telefoon bijna liet vallen.

Ik zei alleen: ‘Ik weet dat er gisteren iemand bij jou binnen is geweest terwijl je op Noa paste.’

Het bleef even stil.

Toen zei ze: ‘O, bedoel je Daan? Dat is een vriend. Die kwam echt maar kort iets brengen.’

Ik zei dat hij geen vriend van mij was, dat hij niet in mijn huis hoorde en al helemaal niet terwijl zij alleen verantwoordelijk was voor mijn dochter. Ze werd meteen harder. Ze zei dat ik haar bespioneerde en dat ze zich daar heel ongemakkelijk bij voelde. Daar had ze natuurlijk ook gelijk in, op een bepaalde manier. Maar ik bleef denken aan Noa die boven lag te huilen terwijl twee volwassenen in mijn tuin koffie zaten te drinken.

Ik heb de samenwerking diezelfde dag stopgezet en het gastouderbureau geïnformeerd. Ik heb de beelden niet rondgestuurd of online gezet. Dat wilde ik niet. Ik wilde alleen dat zij niet deden alsof het om een misverstand ging.

Marije stuurde later nog een lang bericht waarin stond dat ik haar reputatie kapotmaakte en dat Daan haar partner was, die die dag onverwacht vrij had. Misschien was dat waar. Misschien was hij helemaal geen gevaarlijke man. Dat is ook precies waarom ik er zo van in de war raak: ik kan niet bewijzen dat Noa iets is overkomen. Waarschijnlijk is haar niets overkomen.

Maar ik had haar daar niet gebracht zodat onbekenden onderdeel van haar dag zouden zijn zonder dat ik het wist.

Mijn moeder vangt Noa nu tijdelijk extra op. Ze zegt dat ik niet moet doen alsof iedereen onbetrouwbaar is, en ze heeft gelijk. Alleen merk ik dat ik bij elke nieuwe gastouder meteen naar de voordeur kijk, naar de tuin, naar een jas over een stoel. Ik let op dingen die vroeger niets betekenden.

Volgende week heb ik een kennismaking bij iemand in Hoogland. Ik heb het formulier al ingevuld, maar nog niet verstuurd. Noa slaapt ondertussen weer rustig in haar eigen bedje. Ik sta soms onnodig lang naast haar, tot ik zeker weet dat haar ademhaling gelijkmatig blijft.