Mijn beste vriendin noemt me verrader omdat ik haar man met dementie niet meer elke dag kan verzorgen
„Dus jij wilt hem wegstoppen?”
Ria stond in haar keuken met een theedoek in haar handen. Haar gezicht was rood, niet van het koken. Kees zat aan de tafel en keek naar zijn koude koffie alsof die hem iets moest vertellen.
Ik voelde Henk naast me verstijven.
„Dat heb ik niet gezegd,” zei ik. Mijn stem trilde meer dan ik wilde. „Ik zeg alleen dat we misschien eens met de huisarts moeten praten. Over hulp. Iemand die een paar uur per week komt.”
Ria lachte kort, hard. „Een vreemde die aan mijn spullen zit? Die Kees gaat wassen? Na veertig jaar vriendschap is dit blijkbaar wat ik van jullie kan verwachten.”
Ik had willen zeggen dat ze oneerlijk was. Dat wij al maanden bijna elke dag kwamen. Maar ik keek naar Kees, die ineens fluisterde: „Ria, waar is onze jongen?”
Hun zoon woont al twaalf jaar met zijn gezin in Groningen. Kees weet dat soms nog. Soms niet.
We kennen Ria en Kees sinds onze kinderen op de basisschool zaten. Henk en Kees voetbalden op zondag bij dezelfde amateurclub. Ria en ik stonden langs de lijn met thermoskannen koffie en natte jassen over onze armen. Later gingen we samen op vakantie naar Texel, naar Limburg, een keer zelfs met de caravan naar Zeeland, hoewel het toen negen dagen regende.
Toen onze kinderen het huis uit waren, werden onze zaterdagavonden bijna vanzelf van ons vieren. Om de week bij hen, om de week bij ons. Stamppot in de winter, salades en een glas wijn in de tuin zodra het kon. We noemden elkaar voor de grap onze gekozen familie.
Toen Kees vorig voorjaar twee keer verdwaalde op weg naar de supermarkt, maakten we ons zorgen. Ria wuifde het eerst weg.
„Hij is gewoon moe. Hij slaapt slecht.”
Na de diagnose beginnende dementie huilde ze in mijn armen op de parkeerplaats van het ziekenhuis. Haar mascara liep uit en ze bleef maar zeggen: „Ik kan dit niet alleen, Anja. Ik kan dit echt niet alleen.”
„Natuurlijk niet,” zei ik toen. „Wij zijn er.”
Ik meende het. Alleen wist ik niet wat die woorden zouden gaan kosten.
Eerst haalden we eens boodschappen voor hen. Daarna ging Henk op dinsdag met Kees wandelen, omdat Kees anders onrustig door het huis liep. Ik hielp Ria met de administratie toen ze rekeningen vergat te betalen. Dat voelde logisch. Je laat je vrienden niet vallen als het moeilijk wordt.
Maar het werd steeds meer.
Ria belde soms al om half acht. Kees had zijn medicijnen verstopt. Kees wilde naar zijn oude werk, terwijl hij al achttien jaar met pensioen was. Kees had de kraan laten lopen en Ria durfde niet meer te douchen als hij alleen beneden was.
„Kun jij vandaag komen?” vroeg ze dan.
Niet: heb je tijd? Niet: zou het lukken? Gewoon: kun jij komen?
En ik ging. Bijna altijd.
Onze eigen afspraken verdwenen één voor één. Een lunch met mijn zus zei ik af omdat Ria naar de apotheek moest. Henk stopte met klaverjassen op donderdagavond, omdat Kees juist dan vaak in paniek raakte. Zelfs op zondag, als we eindelijk wilden uitslapen, lag mijn telefoon naast mijn kussen als een soort alarmbel.
Henk werd stiller. Hij zei nooit snel iets lelijks over anderen, maar op een avond zette hij zijn bord in de vaatwasser en zei: „Anja, ik ben tweeënzestig. Ik wil niet dat ons leven alleen nog uit wachten op Ria’s telefoontjes bestaat.”
Ik werd boos op hem, denk ik omdat ik hetzelfde voelde.
„Wat moeten we dan? Zeggen dat ze het maar moet uitzoeken?”
„Nee,” zei hij. „Maar wij zijn haar vrienden. Geen thuiszorg. Geen verpleegkundigen. En eerlijk, ik trek het soms ook niet meer.”
Daar zat ik dan, met mijn jas nog aan, terwijl ik net Kees had geholpen zich om te kleden omdat hij zijn broek over zijn pyjamabroek had aangetrokken. Ik schaamde me dat ik vooral opluchting voelde toen Henk het uitsprak.
De week daarna vergat Kees het gas uit te doen. Ria vond een aangebrande pan en een keuken vol rook. Ze belde mij huilend op. Ik reed erheen, handen strak om het stuur. Diezelfde middag zei ik voorzichtig dat dit niet meer veilig was.
Ria keek me aan alsof ik haar een klap gaf.
„Jullie willen gewoon van het gedoe af.”
„Nee,” zei ik. „We willen dat jullie hulp krijgen die wij niet kunnen geven.”
„Maar jullie kennen hem. Jullie horen bij ons.”
Dat was precies het pijnlijke. We hoorden bij hen. Daarom deed het zo’n pijn om te erkennen dat liefde en trouw niet genoeg zijn wanneer iemand langzaam verdwijnt in zijn eigen hoofd.
Na die ruzie heeft Ria drie dagen niet gebeld. Ik miste haar verschrikkelijk, en tegelijk voelde ons huis ineens licht. Henk en ik dronken koffie zonder op mijn telefoon te kijken. Daarna voelde ik me daar weer schuldig over. Wat voor vriendin was ik eigenlijk?
Uiteindelijk heb ik Ria een bericht gestuurd. Dat we van haar en Kees houden. Dat we blijven komen, maar niet meer elke dag kunnen inspringen. Dat we met haar mee willen naar de huisarts, en willen helpen een vertrouwd zorgteam te vinden.
Ze heeft alleen teruggestuurd: „Echte vrienden hoeven geen grenzen te stellen.”
Die zin lees ik nog steeds terug. Misschien heeft ze gelijk. Maar misschien is een grens juist het enige waardoor je niet verdwijnt, naast iemand die je zo graag wilt redden.
Wat zou jij doen als je beste vriendin jouw hulp ziet als een schuld die je moet afbetalen?
Kun je een vriend trouw blijven, zonder je eigen leven helemaal op te geven?