Na 34 zomers in Frankrijk twijfel ik of ik nog met onze vriendengroep mee wil
De eerste keer dat ik dacht: ik wil niet meer mee naar Frankrijk, stond ik gewoon aardappels te schillen.
Het was een dinsdagavond in februari. Buiten miezerde het, Henk zat aan de keukentafel zijn mail te lezen en ik had de radio aan, zachtjes, omdat ik de nieuwsberichten ook niet meer zo goed trek de laatste tijd. Toen zag ik in de groepsapp een bericht van Monique: of iedereen vóór vrijdag wilde laten weten of hij of zij mee ging, want het huis bij Limoges moest definitief bevestigd worden.
Dat huis. We gaan er al zo lang heen dat ik nog weet dat de kinderen van de anderen in slaapzakken op de overloop lagen. Nu hebben die kinderen zelf kinderen en komen ze allang niet meer mee. Wij zijn met z’n achten overgebleven: Henk en ik, Monique en Theo, Els en Bram, en Karel met zijn vrouw Ingrid.
Vroeger noemden we het gekscherend onze commune, al waren we daar veel te burgerlijk voor. We deden boodschappen bij de Intermarché, verdeelden de kamers zonder gedoe en aten om de beurt. Als iemand te lang onder de douche stond, werd daar hooguit een flauw grapje over gemaakt. Het was nooit groots of spectaculair. Juist daarom was het fijn. Je hoefde nergens over na te denken.
Maar de laatste drie, vier jaar is Karel veranderd. Of misschien zie ik het pas sinds kort scherper. Hij is altijd iemand geweest met een mening. Daar was niets mis mee. Hij kon vroeger ook prachtig vertellen over zijn tijd bij de gemeente, met van die droge observaties waar iedereen om moest lachen.
Nu begint bijna elk gesprek bij hem en eindigt het ook bij hem.
Over de boeren, over asielzoekers, over de oorlog, over ‘die mensen in Den Haag’, over transgender personen, over wat er volgens hem allemaal niet meer gezegd mag worden. Hij leest van alles op Facebook en Telegram, zegt vervolgens dat hij heus geen gek is, en kijkt dan de tafel rond alsof iemand hem moet aanvallen zodat hij kan bewijzen dat hij gelijk heeft.
Vorig jaar in Frankrijk ging het echt mis, al zou Henk dat woord te groot vinden. We zaten buiten, onder die oude parasol die altijd scheef hangt. Bram had net verteld dat zijn dochter in Utrecht vrijwilligerswerk deed bij een stichting voor statushouders. Karel zei meteen: “Nou, die zal het druk krijgen. De Nederlanders komen op de laatste plaats, maar dat mag je natuurlijk niet zeggen.”
Bram zei nog rustig dat het één het ander niet uitsluit. Karel begon harder te praten. Ingrid keek naar haar bord. Els probeerde over de wijn te beginnen. En ik voelde dat bekende, nare gevoel: alsof ik mezelf kleiner moest maken om de avond door te krijgen.
Toen ik zei dat ik het niet eerlijk vond om mensen die je niet kent zo weg te zetten, lachte Karel. Niet vriendelijk. Hij zei: “Jij woont zeker in een lekker veilige bubbel, Marjan.”
Ik weet nog dat ik naar mijn servet keek. Er zat een vlek van tomatensaus op. Ik heb daarna nauwelijks iets gezegd. Henk wel, maar niet tegen Karel. Tegen mij, later in bed. Of ik het niet zo persoonlijk kon nemen. Karel was nu eenmaal Karel. Hij had het ook niet makkelijk gehad met zijn hartklachten en het gedoe met zijn oudste zoon.
Dat wist ik. En ik heb ook echt medelijden met hem gehad. Maar hartklachten geven je toch geen vrijbrief om anderen iedere avond af te branden?
In november was er een etentje bij Theo en Monique. Niet eens een politieke aanleiding, eigenlijk. Het ging over de kleinkinderen van Els. Karel zei dat kinderen tegenwoordig “nergens meer tegen kunnen” en dat ouders overal een diagnose op plakken. Monique zei dat haar kleinzoon ADHD heeft. Karel haalde zijn schouders op en zei: “Vroeger noemden we dat gewoon druk.”
Monique werd rood. Theo zei niets. Henk legde even zijn hand op mijn knie onder tafel, alsof hij voelde dat ik iets wilde zeggen. Maar dat gebaar maakte me nog bozer. Niet omdat hij mij wilde kalmeren, denk ik. Hij wilde vooral voorkomen dat het ongemakkelijk werd.
Op weg naar huis zei ik dat ik het niet meer kon opbrengen om in Frankrijk tien dagen aan tafel te zitten met iemand die op die manier praat.
Henk keek strak voor zich uit terwijl hij reed. “Je weet toch hoe Karel is.”
“Ja,” zei ik. “En ik weet ook hoe ik me daarna voel.”
Hij zuchtte. “Als we iedereen gaan afrekenen op dingen die hij zegt, blijft er weinig over.”
Dat vond ik zo pijnlijk. Alsof ik iedereen wilde afrekenen. Alsof ik een soort toetscommissie was. Ik vroeg hem alleen of hij kon zien dat ik niet meer ontspannen ben in die groep. Dat ik vooraf al denk aan hoe laat ik naar bed kan zonder dat het opvalt.
Hij zei dat hij dat vervelend vond, maar dat je na bijna veertig jaar vriendschap niet ineens iemand buitensluit. En daar heeft hij natuurlijk gelijk in, gedeeltelijk. Karel was erbij toen Henk na zijn ontslag maanden somber thuiszat. Karel hielp ons verhuizen naar dit huis. Toen mijn moeder overleed, stond hij met een pan soep voor de deur. Dat vergeet ik niet.
Maar ik vergeet ook niet hoe hij mij vorig jaar aankeek toen ik zei dat mijn nicht en haar vriendin wilden trouwen. “Moet iedereen dat nou per se weten?” vroeg hij. Alsof hun leven een irritante reclameboodschap was.
Vanmorgen stuurde Monique weer in de app: “Lieve allemaal, ik krijg nog geen duidelijkheid. Willen jullie even reageren? Anders laat ik de optie verlopen.”
Niemand antwoordde. Ik zag de blauwe vinkjes verschijnen. Henk zat tegenover me met zijn koffie en deed alsof hij zijn krant las. Uiteindelijk zei hij: “Zullen we gewoon ja zeggen? Dan zien we daar wel.”
Ik zei dat ik niet mee wilde als Karel ook ging.
Hij legde zijn krant neer. Heel langzaam. “Dus jij wilt dat ik moet kiezen?”
“Nee. Ik wil dat jij ophoudt te doen alsof er niets gekozen wordt als we wél gaan.”
Dat kwam harder eruit dan ik wilde. Henk werd bleek en zei dat hij niet nog een breuk in zijn leven erbij kon hebben. Zijn broer spreekt hij nauwelijks meer, zijn oude collega’s zijn verwaterd, en deze groep is voor hem bijna familie. Dat begrijp ik ook. Misschien juist daarom doet het zo’n pijn dat hij mijn plek daarin blijkbaar minder vanzelfsprekend vindt dan die van Karel.
Later stuurde ik Monique apart een bericht. Ik heb lang zitten typen en wissen. Uiteindelijk schreef ik alleen dat ik twijfelde, omdat de sfeer voor mij de laatste tijd moeilijk was geworden. Zij belde meteen.
Ze was stil toen ik over Karel begon. Daarna zei ze: “Ik dacht al dat ik de enige was die er last van had.”
Dat had ik niet verwacht. Ik voelde opluchting, maar ook iets ongemakkelijks. Want blijkbaar hebben we allemaal al jaren geoefend in zwijgen. Els ook, zei Monique. Bram al helemaal, maar die trekt zich dan terug. Theo vindt dat we het luchtig moeten houden. Ingrid heeft volgens Monique geen zin meer om met Karel in discussie te gaan omdat ze thuis al genoeg strijd hebben.
Niemand wil de eerste zijn die zegt dat het zo niet meer leuk is.
Vanavond gaan we met z’n achten videobellen over Frankrijk. Henk wil dat ik erbij zit. Ik heb gezegd dat ik dat doe, maar ik weet niet of ik het ook kan. Een deel van mij hoopt dat iemand anders eindelijk uitspreekt wat er gebeurt. Een ander deel wil gewoon zeggen dat ik dit jaar thuisblijf en in juli met mijn zus een paar dagen naar Texel ga.
De aardappels van dinsdag heb ik uiteindelijk te lang laten koken. Henk heeft er niets van gezegd. We aten ze zwijgend op, met andijvie en een slavink uit de vriezer. Daarna zette hij de vaatwasser aan. Ik hoorde hem in de woonkamer heel zacht een bericht inspreken voor de groepsapp, en ik wist nog niet of ik wilde horen wat hij zei.