Na veertig jaar vriendschap vertrekt mijn vrouw straks een half jaar per jaar, en ik weet niet meer aan wie ik trouw moet zijn
Vorige week stond ik in de supermarkt met een pak koffie in mijn hand en kreeg ik een spraakbericht van Els. Niet eens een lang bericht. Alleen: “Henk, weet jij of Marjan vanmiddag tijd heeft? Laat maar, ik vraag het haar zelf wel.”
Ik hoorde aan haar stem dat ze al wist dat Marjan geen tijd had.
Marjan was thuis haar oude wandelschoenen aan het uitzoeken voor Roemenië. Ze gaat daar vanaf september zes maanden per jaar helpen bij een stichting in een dorpje buiten Cluj. Geen reddingswerk of zo, ze doet vooral administratie, helpt met Nederlandse donateurs en geeft Nederlandse les aan jongeren die in de zorg of toerisme willen werken. Ze is er vorig voorjaar drie weken geweest via een kennis van haar yogagroep. Sindsdien praat ze erover alsof er ergens een deur is opengegaan die al jaren dicht zat.
We zijn allebei 67. Ik ben sinds twee jaar met pensioen, na bijna veertig jaar bij een installatiebedrijf. Marjan werkte in de thuiszorg en later op de planning bij dezelfde organisatie. Altijd dienstbaar, zou je kunnen zeggen. Eerst voor haar moeder, toen voor onze kinderen, daarna voor cliënten en collega’s die haar belden als er weer eens iets misliep. Ze heeft nooit geklaagd, of nou ja, niet veel.
Els en Rob kennen we sinds 1983. We woonden toen allebei in een rijtjeshuis in Nieuwegein, met jonge kinderen en een tuintje waar je net een barbecue kwijt kon. Onze dochters zaten bij elkaar in de klas. We gingen jarenlang met z’n vieren kamperen in Frankrijk, later met de caravan naar Zeeland. Toen mijn vader overleed, stond Rob de volgende ochtend op de stoep met een zak broodjes, omdat hij wist dat ik vergeten was te eten. Toen Els borstkanker had, reed Marjan haar naar afspraken als Rob moest werken.
Het is niet zo dat we elkaar iedere dag zagen. Dat hoeft ook niet als je zo lang bevriend bent. Maar sinds Els’ heup slechter is geworden, is het anders. Ze loopt met een stok, kan niet goed lang staan en zegt afspraken vaker af omdat ze bang is dat ze ergens geen parkeerplek dichtbij vindt. Rob heeft beginnende Parkinson. Hij redt zich nog prima, echt, maar autorijden doet hij niet meer graag en hij wordt sneller moe.
De laatste anderhalf jaar ging Marjan vaak even bij Els koffie drinken. Soms nam ze haar mee naar de markt in Houten of naar het ziekenhuis. Ze appen de hele dag door over niks bijzonders: een aanbieding bij de Etos, een serie, de kleinkinderen. Ik vond het eerlijk gezegd weleens veel. Niet omdat ik Els niet mag, maar Marjan liet soms haar eigen plannen vallen zodra Els zei dat ze een rotdag had.
Daarom snap ik ergens ook dat dit vrijwilligerswerk haar zo grijpt. Ze zegt: “Eindelijk doe ik iets waar niemand uit mijn eigen kring beter van wordt.” Dat klinkt hard, maar ik begrijp wat ze bedoelt. In Roemenië is ze niet de vrouw die even boodschappen meeneemt of luistert naar iemands gedoe. Daar heeft ze een taak waarvoor ze zich heeft aangemeld en waar mensen blij mee zijn.
Toch ben ik degene die nu ziet hoe Els stiller wordt.
Laatst zaten we bij hen aan tafel. Rob had stamppot gemaakt, veel te zout zoals altijd. Els had een nieuwe scootmobiel aangevraagd via de Wmo, maar het liep allemaal nog. Ze vertelde er vrij luchtig over, totdat Marjan zei dat haar ticket voor september geboekt was.
“Zes maanden echt?” vroeg Els.
Marjan knikte. “Ik kom rond kerst twee weken terug. En in het voorjaar weer, natuurlijk.”
Els prikte met haar vork in haar eten. “Ik dacht eigenlijk meer aan een paar weken achter elkaar. Of twee maanden.”
“Dat was eerst ook het idee,” zei Marjan. “Maar ze hebben juist iemand nodig die een seizoen blijft. Anders moet ik steeds alles opnieuw uitleggen.”
Daarna viel er zo’n stilte waarin iedereen ineens heel aandachtig naar zijn bord kijkt. Rob begon over de energierekening. Ik zei geloof ik iets over de zonnepanelen van de buren. Niemand luisterde.
In de auto terug zei ik tegen Marjan dat ze Els wel erg hard had laten zitten.
Ze keek uit het raam. “Ik laat haar niet zitten, Henk. Ik verhuis niet naar de andere kant van de wereld. Ik ga vrijwilligerswerk doen.”
“Voor een half jaar.”
“Ja. En daarna ben ik er weer.”
Ik zei dat Els niet meer zo mobiel was, dat Rob ook niet jonger werd en dat die twee nauwelijks nog andere mensen zien. Meteen toen ik het zei, wist ik dat het klonk alsof Marjan verantwoordelijk was voor hun hele leven. Dat wilde ik niet zeggen. Maar het kwam er wel op neer.
Marjan werd boos. Niet schreeuwen, dat doet ze bijna nooit. Ze werd heel stil en zei: “Dus omdat Els mij nodig heeft, mag ik nooit iets doen wat ik zelf belangrijk vind?”
Ik had daar geen goed antwoord op.
Een paar dagen later belde Els mij. Marjan nam niet op omdat ze bij een bijeenkomst van die stichting was. Els vroeg of ik wist wat Marjan precies ging doen. Toen ik het uitlegde, zei ze: “Ze is zo veranderd sinds ze terug is.”
Dat vond ik oneerlijk. Marjan is niet veranderd. Ze zegt alleen eindelijk iets hardop wat misschien al langer in haar zat.
Maar daarna zei Els: “Ik gun haar het echt, hoor. Dat moet je niet verkeerd begrijpen. Alleen, ik dacht altijd dat wij elkaar niet zouden kwijtraken op deze manier.”
Dat bleef hangen.
Afgelopen zondag kwam Els zelf bij ons langs. Rob bleef thuis, hij had slecht geslapen. Els had met moeite een taxi geregeld omdat ze nog geen geschikte vervoerpas heeft. Ze zat op onze bank, jas nog aan, en ik zag dat haar handen trilden toen ze haar tas dichtdeed.
Marjan zette thee en ging tegenover haar zitten. Ik wilde naar boven gaan, ze moesten dit zonder mij kunnen bespreken, maar Marjan zei: “Blijf maar.” Misschien omdat ze wist dat ik toch al wist wat er speelde.
Els zei dat ze Marjan niet wilde tegenhouden. Vervolgens vroeg ze of Marjan niet bijvoorbeeld drie maanden kon gaan en dan een paar maanden thuisblijven. “Niet voor mij alleen,” voegde ze er meteen aan toe. “Ook voor Henk. Jullie hebben toch altijd alles samen gedaan?”
Ik voelde me daar ongemakkelijk bij. Alsof ik door Els als argument werd gebruikt. Tegelijk dacht ik: ze heeft niet helemaal ongelijk. Ik zie mezelf ook niet zitten in ons huis van november tot maart, terwijl Marjan ergens in een gedeeld appartement zit met mensen die twintig jaar jonger zijn.
Marjan keek naar haar theeglas. “Als ik dat doe, dan heeft het geen zin. Dan ben ik daar steeds net ingewerkt en moet ik alweer weg.”
Els begon te huilen, heel zacht. Ze zei: “Ik had gewoon gehoopt dat ik nog een beetje op je kon rekenen.”
Marjan huilde toen ook, maar ze veranderde haar antwoord niet. Ze pakte Els’ hand en zei dat ze iedere week zou videobellen, dat ze een lijst ging maken met mensen die Els ook kon vragen, dat ze voor vertrek met haar naar de huisarts wilde om over ondersteuning te praten. Dat was lief, maar ik zag aan Els dat ze iets anders bedoelde. Geen lijst, geen beeldbellen. Marjan op woensdag aan haar keukentafel, met koffie en een pak speculaas.
Els ging na een uur weg. Marjan bleef in de gang staan tot de taxi de straat uit was. Daarna zei ze: “Ik voel me afschuwelijk.”
Ik zei: “Dan ga je toch niet?”
Dat was laf van me. Ik wist al dat ze wel ging.
Ze keek me aan alsof ik haar niet kende. “Juist daarom moet ik gaan, Henk. Omdat ik anders straks alleen nog maar doe wat iedereen van mij nodig heeft.”
In september breng ik haar waarschijnlijk naar Schiphol. Dat hebben we nog niet eens echt besproken, maar zo zijn we. We regelen eerst de praktische dingen en pas daarna, als het te laat is, zeggen we wat het met ons doet.
Els appt Marjan nog wel. Korter dan vroeger. Rob stuurde mij gisteren een foto van zijn tomatenplanten, zonder uitleg. Ik heb een duimpje teruggestuurd en me daarna rot gevoeld omdat ik niet wist wat ik anders moest doen.
Marjan heeft vanmiddag een online overleg met de stichting. Els heeft morgen een afspraak bij de ergotherapeut. Ik heb beloofd haar te rijden als de taxi niet lukt. Dat is geen oplossing voor wat er tussen hen zit, maar het staat wel in mijn agenda.