Toen mijn oudste vriendin me vroeg haar administratie over te nemen, verloor ik misschien ook haar man
De blauwe ordner staat al bijna drie weken onderin onze boekenkast. Er zit een elastiek omheen, alsof de papieren anders weg zouden lopen. Iedere keer als ik er langs kom om een boek te pakken, denk ik: dit hoort hier niet te staan.
Maar eigenlijk hoort hij ook niet bij Henk in de keukenla te liggen, tussen de oude gebruiksaanwijzingen en een stapel reclamefolders. Daar lag hij toen Marja hem voor het eerst op tafel zette.
Ik ben 68, mijn vrouw Els is 66. Henk en Marja kennen we sinds 1983, van de camping in Frankrijk. Onze kinderen waren toen nog klein en maakten ruzie om een luchtbed. Daarna gingen we nog jaren samen weg: eerst met de tent, later met caravans en uiteindelijk huisjes, omdat niemand meer zin had om op zijn knieën een voortent vast te zetten.
We wonen nu alle vier in hetzelfde dorp, zij aan de andere kant van het plantsoen. Vrijdagavond was bijna heilig. Om de beurt eten. Soms gewoon stamppot, soms uitgebreid als Marja ergens een recept had gezien. Henk deed altijd alsof hij niks kon koken, maar zijn saté was beter dan die van mij. Hij was ook degene die na het eten de glazen bijvulde zonder te vragen.
Toen Marja afgelopen najaar hoorde dat haar ziekte niet meer te behandelen was, hebben we eerst vooral praktische dingen gedaan. Els ging mee naar een gesprek in het ziekenhuis in Alkmaar, omdat Marja bang was dat ze anders de helft niet zou onthouden. Ik heb een douchestoel opgehaald via de thuiszorgwinkel. Henk regelde op zijn manier ook van alles. Hij reed haar naar afspraken, maakte koffie voor iedereen die langskwam en sliep soms half rechtop op de bank omdat Marja ’s nachts belde.
Ik wil niet doen alsof hij niets gaf om haar. Dat deed hij wel. Juist daarom is dit zo moeilijk.
Op een maandagmiddag belde Marja mij terwijl Els bij de kapper was. Haar stem klonk dun, maar ze probeerde gewoon te doen.
‘Karel, kun jij straks even komen? Niet met Els erbij, nog niet. Ik moet iets bespreken.’
Ik ben gegaan. Henk was boodschappen doen. Marja zat aan de eettafel met die blauwe ordner, een schriftje en een envelop waar met haar handschrift “belangrijk” op stond.
Ze zei dat ze wilde dat Els en ik haar zouden helpen met haar administratie, haar zorgmap en later ook met de nalatenschap. Ze had al een afspraak gemaakt bij de notaris voor een levenstestament en een nieuw testament. Niet omdat ze Henk alles wilde afpakken, zei ze meteen. Ze wilde vooral dat er overzicht kwam.
‘Hij raakt in paniek van brieven,’ zei ze. ‘Dan stopt hij ze ergens in en denkt hij: morgen. En morgen is bij Henk soms drie maanden later.’
Dat was niet helemaal nieuw voor mij. Henk had ooit een aanmaning van de energieleverancier gekregen terwijl er genoeg geld was. Hij schaamde zich daar kapot voor. Marja had altijd de belasting, de verzekeringen en de bankzaken gedaan. Henk werkte vroeger als chauffeur en was goed met mensen, routes, gereedschap, alles eigenlijk behalve formulieren en wachtwoorden.
‘Maar hij is mijn man,’ zei ik. Ik weet nog dat ik dat nogal stijf zei, alsof ik zelf ineens de notaris was.
Marja keek naar haar handen. De nagels waren kort en broos geworden door de behandelingen.
‘Ja. En ik ben bang dat hij straks alleen achterblijft met een huis, rekeningen en overal codes die hij niet kent. Ik probeer hem juist te helpen. Maar als ik het met hem bespreek, zegt hij dat ik niet zo moet somberen.’
Ik zei dat ik met Els zou praten. Meer beloofde ik niet.
Els vond dat we Marja niet konden laten zitten. Tegelijk zei ze iets wat ik zelf niet wilde toegeven: ‘Als Henk dit hoort via haar, voelt hij zich verraden. En eerlijk gezegd snap ik dat ook nog.’
We hebben een paar dagen gewacht. Dat was laf, denk ik nu. Marja wilde vaart maken omdat ze achteruitging. Henk merkte vanzelf dat er iets speelde, want hij zag dat ik een kopie van haar polisblad in mijn tas stopte. Hij vroeg ernaar bij de voordeur.
Ik zei niet meteen genoeg. Ik zei: ‘We helpen Marja een beetje met het ordenen.’
Hij werd rood, niet eens boos op de manier waarop hij vroeger over voetbal kon ontploffen. Eerder gekwetst. Hij vroeg: ‘Ordenen waarvan?’
Toen vertelde ik het. Niet alles, maar genoeg.
Hij zei heel zacht: ‘Dus zij vertrouwt jullie wel en mij niet.’
Ik zei dat het daar niet om ging. Dat was natuurlijk een domme zin, want het ging daar gedeeltelijk wel om.
De dagen daarna nam Henk niet op. Vrijdagavond gingen Els en ik niet naar hen toe. We hadden geen uitnodiging gekregen en dat was in veertig jaar misschien twee keer gebeurd, een keer met corona meegerekend.
De zondag erop stond hij bij ons aan de deur. Hij had zijn jas nog aan en bleef in de hal staan. Hij zei dat hij Marja niet wilde belasten met gedoe, maar dat hij één ding duidelijk wilde hebben.
‘Als jullie haar administratie overnemen en met die notaris gaan zitten alsof ik er niet ben, dan hoeven jullie bij ons niet meer binnen te komen. Ik laat niet toe dat jullie tussen ons in gaan staan.’
Els zei meteen dat we helemaal niet tussen hen in wilden staan. Henk keek haar aan en zei: ‘Maar dat doe je wel.’
Daarna ging hij weg. Zijn fiets stond scheef tegen de heg. Ik weet niet waarom ik dat detail onthouden heb.
Marja belde die avond huilend. Niet hard, eerder ingehouden, alsof ze Henk in de kamer ernaast niet wakker wilde maken.
‘Hij zegt dat ik jullie tegen hem opzet. Dat doe ik toch niet, Karel? Ik vraag alleen hulp.’
Ik heb gezegd dat ze niemand tegen iemand opzet. Maar terwijl ik het zei, wist ik hoe het voor Henk moest voelen. Alsof wij als vrienden ineens kwamen beoordelen of hij zijn eigen vrouw wel aankon. Alsof haar ziekte hem niet alleen bang maakte, maar hem ook nog ongeschikt verklaarde in zijn eigen huwelijk.
Tegelijk wist ik dat Marja gelijk had over die papieren. Er waren automatische incasso’s, een oude spaarrekening waar Henk niets van wist, zorgverzekeringsbrieven en een lijst met wensen voor haar uitvaart die ze in een schrift had gekrabbeld. Niet allemaal grote zaken, maar juist dat soort dingen die na een overlijden een gezin uit elkaar kunnen trekken.
We zijn uiteindelijk met z’n vieren naar de notaris gegaan, al kostte het Marja bijna een week overtuigen. Henk wilde aanvankelijk niet mee. Hij zei dat hij geen handtekening zou zetten onder zijn eigen vernedering. Pas toen Marja tegen hem zei: ‘Ik vraag je niet om toestemming om ziek te zijn,’ ging hij toch.
Het gesprek was stroef. De notaris legde rustig uit dat Marja zelf mocht bepalen wie haar hielp en wie zij als gevolmachtigden aanwees. Marja koos Els en mij voor bepaalde praktische zaken, maar Henk bleef haar eerste contactpersoon en kreeg ook inzage. Het was een compromis waar niemand echt blij mee was.
Na afloop dronk Henk koffie uit zo’n kartonnen bekertje in de wachtkamer. Hij vroeg ineens of ik wist waar je een DigiD moest aanvragen als hij zijn wachtwoord kwijt was. Ik zei dat we daar samen naar konden kijken.
Hij knikte, maar bedankte me niet.
Sindsdien gaan we nog wel langs, maar niet meer vanzelf. We appen eerst. Vrijdagavond bestaat niet meer zoals vroeger. Soms zit ik met Els aan tafel en hebben we te veel aardappels gekookt, omdat ik nog steeds reken alsof Henk en Marja aanschuiven.
Marja wordt snel zwakker. Vorige week vroeg ze of de blauwe ordner veilig bij ons lag. Ik zei ja. Daarna vroeg ze of Henk al wat rustiger was.
Daar wist ik geen goed antwoord op. Ik zei alleen dat hij die middag zelf de thuiszorg had gebeld omdat er iets niet klopte met de tijden.
‘Zie je wel,’ fluisterde ze. ‘Hij kan het best.’
Misschien kan hij het ook. Misschien had hij alleen langer nodig gehad dan zij nog heeft.