Ik heb onze vaste donderdagavond opgesplitst, en mijn man ziet het als verraad aan zijn vriend

Onze donderdagavond begon ooit met jonge kinderen die onder de tafel door kropen en eindigt nu meestal met iemand die zegt dat hij echt geen toetje meer hoeft, om vervolgens toch een stuk appeltaart mee te eten.

We zijn met acht: mijn man Pieter en ik, Kees en Marjan, Rolf en Anja, en Theo en Els. Niet dat we elke donderdag alle acht compleet zijn, maar de afspraak bestaat al sinds 1996. Eerst om en om eten bij elkaar, later soms een eetcafé omdat niemand meer zin had in drie dagen boodschappen doen voor een ovenschotel. Er zijn banen verloren gegaan, ouders overleden, kinderen gescheiden, kleinkinderen geboren. We weten van elkaar wie te veel drinkt als hij gespannen is, wie altijd te laat komt en wie op vakantie ruzie maakt over de route.

Kees was jarenlang degene die een stille tafel ineens aan het lachen kreeg. Droge opmerkingen, nooit hard. Hij werkte bij de gemeente en had een manier om de meest saaie vergunningkwestie te vertellen alsof het een misdaadroman was.

Vorig najaar begon hij dingen dubbel te vertellen. Eerst vonden we dat eerlijk gezegd niet zo bijzonder. We zijn allemaal 65-plus, we hebben allemaal wel eens een naam op het puntje van onze tong. Kees vergat waar hij zijn fiets had gezet, terwijl die voor het raam van het restaurant stond. Hij vroeg drie keer aan Els hoe het met haar dochter ging, hoewel Els daar diezelfde avond al over had verteld.

Toen hij op een donderdag ineens tegen Anja zei dat haar man vroeger tenminste nog gewoon kon doorwerken, werd het stil. Rolf was twee jaar eerder met een regeling gestopt na problemen met zijn hart. Kees keek zelf ook verbaasd toen Anja opstond om naar de wc te gaan. Hij wist blijkbaar niet wat hij gezegd had.

Marjan vertelde ons een paar weken later, bij koffie in hun keuken, dat de huisarts hen naar de geheugenpoli had verwezen. Zij deed alsof het een mededeling over een lekkende kraan was. Praktisch, bijna haastig. Kees zat naast haar en zei dat er met hem niks aan de hand was, behalve dat iedereen tegenwoordig zo gevoelig was.

Pieter pakte toen zijn hand vast. Dat vond ik lief van hem. Nog steeds.

Maar daarna werd elke donderdag iets waar ik de hele dag tegenaan keek. Niet omdat ik Kees niet wilde zien. Juist omdat ik steeds zat te rekenen: wie moet hem opvangen als hij boos wordt, zal Marjan vanavond weer alleen maar opletten, moet ik een onderwerp afkappen voordat hij iets zegt wat niet meer terug te draaien is?

Het ergste was niet eens dat Kees soms iets kwetsends zei. Het ergste was dat de rest van ons steeds minder zichzelf werd. Theo vertelde niet meer dat zijn zoon schulden had, omdat Kees dat de week erop zomaar aan tafel bij iemand anders kon noemen. Anja werd heel opgewekt en oppervlakkig zodra Kees binnenkwam. Els begon later af te zeggen met hoofdpijn en oppassen op de kleinkinderen. Ik wist best dat het geen hoofdpijn was.

Pieter zag dat anders. Hij zei: ‘Dus omdat het ongemakkelijk wordt, moet Kees maar thuis gaan zitten? Hij heeft ons juist nodig.’

‘Marjan heeft ons misschien ook nodig,’ zei ik. ‘Maar dit is geen avond voor haar meer. Ze is de hele tijd bezig om schade te beperken.’

Daar werd hij boos om. Niet schreeuwen, Pieter schreeuwt bijna nooit, maar dat stille boze waarbij hij de vaatwasser net iets te hard dichtdoet.

‘Jij praat over hem alsof hij een probleem is dat we logistiek moeten oplossen.’

Dat kwam hard aan, omdat er een deel van mij was dat bang was dat hij gelijk had.

Ik heb het daarna niet goed aangepakt. Dat weet ik ook. Op een maandagmiddag heb ik Anja en Els gebeld. Eerst afzonderlijk, later zaten we met z’n drieën bij mij aan de keukentafel. Ik had slagroomsoezen gehaald van de HEMA, alsof je daarmee iets zachter maakt.

Anja huilde vrijwel meteen. Niet om Kees, zei ze, maar omdat ze zich zo’n rotmens voelde. Els vertelde dat ze Kees vorige maand bij de supermarkt was tegengekomen. Hij had gevraagd waarom zij Theo nog niet had verlaten, want Theo was toch altijd zo somber. Els had hem naar huis gebracht en daarna een uur in de auto gezeten zonder de sleutel om te draaien.

We hebben niet besloten om Kees niet meer uit te nodigen. Zo zwart-wit was het niet. We dachten aan kortere middagen, koffie en wandelen als het weer kon. Of soms met vier mensen afspreken, zodat Marjan niet aan een tafel met zeven gesprekken tegelijk hoefde te zitten. Een vaste avond eens per maand in plaats van iedere week. Eigenlijk probeerden we iets te verzinnen dat nog vol te houden was.

Maar Theo vertelde het aan Pieter. Waarschijnlijk vond hij dat terecht. Ik had hem er ook bij moeten betrekken.

Pieter stond die avond in de hal met zijn jas nog aan. Hij had Theo gesproken na het biljarten.

‘Je hebt dus al met iedereen een plan gemaakt om Kees af te bouwen.’

Ik zei dat dat niet waar was, maar het klonk slap. Want ik had wel gebeld. Ik had wel gedacht: als Pieter meteen nee zegt, gebeurt er niks.

‘Je had met míj moeten praten,’ zei hij.

‘Dat heb ik gedaan. Steeds.’

‘Nee, je hebt mij willen overtuigen.’

Daar had hij ook gelijk in. We stonden daar allebei met gelijk dat elkaar alleen maar bozer maakte.

De donderdag erna gingen we toch naar Marjan en Kees. Marjan had nasi gemaakt en was vergeten kroepoek te halen, waar ze zich drie keer voor verontschuldigde. Kees vroeg tijdens het eten ineens waar zijn broer Jan bleef. Jan is al acht jaar dood.

Niemand zei iets. Marjan legde haar hand op zijn onderarm en zei heel rustig: ‘Jan komt niet, Keessie.’

Kees keek haar aan alsof zij degene was die onzin uitkraamde. Daarna begon hij over een voetbalwedstrijd uit 1974. Pieter praatte met hem mee, zonder hem te corrigeren. Ik zag hoe goed Pieter daarin was. Geduldig. Teder bijna.

En tegelijk zag ik Anja naar haar bord kijken, Theo op zijn telefoon en Els die haar jas al over de stoel hing terwijl het nog geen negen uur was.

Na afloop wilde Pieter nog even blijven helpen afwassen. Ik liep met Marjan naar de vuilniscontainer achterom. Ze zei: ‘Ik weet dat jullie het zwaar vinden.’

Ik begon meteen te zeggen dat dat niet zo was, maar ze keek me aan en ik hield op.

‘Hij is ook niet altijd meer fijn,’ zei ze. Heel zacht. ‘Dat mag je best denken. Ik denk het soms zelf ook, en dan schaam ik me kapot.’

Sindsdien hebben we de donderdagavond niet officieel afgeschaft. Dat zou misschien zelfs makkelijker zijn geweest. We spreken nog steeds af, maar minder strak. Soms gaan Pieter en ik bij Kees en Marjan koffie drinken. Soms eet ik met Anja en Els in de stad. Pieter vindt dat nog altijd pijnlijk; hij noemt het nog steeds “de opsplitsing”.

Vorige week vroeg Kees aan mij of wij elkaar vroeger niet veel vaker zagen. Ik zei dat het wel leek alsof de tijd sneller ging dan we bij konden houden.

Hij knikte, alsof hij dat antwoord begreep. Misschien begreep hij het ook wel. Daarna vroeg hij of ik nog wist waar Jan woonde.

Ik heb gezegd dat ik het niet precies wist. Toen hebben we samen naar buiten gekeken, naar de natte straat en de fietsen tegen de schuur.