Na 32 jaar Frankrijk dreigen we buiten de vriendengroep te vallen omdat mijn vrouw niet meer wil meedoen aan luxe vakanties

Vorige week zat ik aan de keukentafel met een Excel-bestand open en voelde ik me ineens alsof ik toestemming moest vragen om nog bij mijn eigen vrienden te horen.

Het ging over de vakantie naar Frankrijk. Zoals elk jaar. Alleen was het dit keer geen vanzelfsprekend gesprek meer.

Wij gaan al 32 jaar met min of meer dezelfde groep weg. Eerst waren we met acht, toen kwamen er kinderen bij, gingen mensen scheiden, kregen we nieuwe partners, vielen er twee af en kwamen er weer anderen bij. Nu zijn we met vijf stellen, allemaal ergens tussen de 59 en 67. De kinderen zijn het huis uit, op een enkele studerende na. Vroeger huurden we een gîte in de Dordogne of de Ardèche, met een zwembad waar iedereen zich omheen vouwde met een boek en een glas wijn. Dat was toen al niet goedkoop, maar we hadden banen, jonge kinderen en kennelijk een ander idee van wat verstandig was.

De laatste jaren is het steeds luxer geworden. Niet omdat iemand dat ooit officieel heeft besloten. Het gleed gewoon die kant op. Eerst wilde Erik graag airco, omdat hij slecht slaapt in de warmte. Begrijpelijk. Daarna moest het zwembad verwarmd zijn, omdat Marjolein haar kleinkinderen soms mee wilde nemen. Vervolgens kwamen er twee avonden in restaurants met van die vaste menu’s waar je voor een fles water al zes euro betaalt. Vorig jaar zaten we in een hotel bij Aix-en-Provence waar de parkeerplaats 28 euro per nacht kostte. Ik vond het belachelijk, maar ik heb het niet gezegd. Ik zei thuis wel dat het veel geld was, maar ik boekte gewoon mee.

Mijn vrouw, Karin, heeft dat jarenlang ook gedaan. Ze is nooit iemand geweest die graag vooraan staat of gedoe maakt. Juist daarom dacht ik eerst dat ze een slechte bui had toen ze in januari zei: “Ik ga niet nog een keer bijna vijfduizend euro uitgeven aan tien dagen waarin ik me schuldig voel als ik een broodje bij de bakker haal in plaats van bij dat restaurant.”

Ik lachte nog een beetje. Niet aardig, achteraf.

“Vijfduizend, dat is toch overdreven?” zei ik.

Ze pakte haar telefoon erbij. Huisje, heen- en terugreis, tol, uit eten, boodschappen, wijn die we geacht worden mee te nemen, een gezamenlijke kookavond waarvoor iedereen de duurste ingrediënten koopt, en dan nog dingen die onderweg ontstaan. Ze kwam op 4.680 euro uit. Zonder nieuwe wandelschoenen, zei ze er droog bij, want die van mij waren na vorig jaar kapot.

Ik werk nog drie dagen per week als projectleider bij een installatiebedrijf. Karin is vorig jaar gestopt in de thuiszorg, eerder dan gepland omdat haar knieën steeds opspeelden. We redden het prima. We hoeven echt niet elke euro om te draaien. Maar we hebben ook een aflossingsvrije hypotheek die over een paar jaar aandacht nodig heeft, een auto die niet eeuwig meegaat en een dochter die net een huis heeft gekocht in Amersfoort en soms belt omdat ze door de bomen het financiële bos niet ziet. Bovendien wil Karin graag wat vaker naar haar zus in Drenthe. Niet spectaculair, maar het tikt wel aan.

Haar voorstel was eigenlijk heel normaal. Een eenvoudiger vakantiehuis, liefst wat meer in de natuur. Zelf koken wanneer we daar zin in hebben. Wandelen, dorpjes bekijken, een keer uit eten in plaats van om de dag. Of desnoods een andere streek, minder populair. “Ik wil niet meer op vakantie alsof we iets moeten bewijzen,” zei ze.

Daar zat precies mijn probleem.

Ik weet dat het kinderachtig klinkt, maar die vakanties zijn voor mij meer dan vakantie. Met Erik heb ik vroeger gevoetbald. Met Paulien en haar man Sjoerd hebben we in dezelfde straat gewoond toen onze kinderen klein waren. Ze kennen mij uit de tijd dat ik nog elke zaterdag langs het voetbalveld stond met een thermoskan koffie. Ze weten van mijn vader, die jong is overleden, van Karins miskraam waar we toen bijna met niemand over praatten, van mijn ontslag in 2009. Bij hen ben ik niet alleen die man van kantoor of de vader van twee volwassen kinderen. Ik ben gewoon Bas.

Tegelijkertijd is er in die groep altijd iets geweest van vergelijken. Niet openlijk, nooit grof. Maar wel: wie heeft een nieuwe keuken, wiens zoon heeft een huis in Utrecht gekocht, waar gaan jullie dit jaar heen, hoe lang blijf je? Erik en Marjolein wonen sinds kort in een vrijstaande woning aan de rand van Oisterwijk. Hij is vorig jaar met pensioen gegaan na een hoge functie bij een verzekeraar. Hij zegt vaak dat hij eindelijk wil genieten, en dat gun ik hem ook echt. Alleen klinkt “genieten” bij hem soms alsof de rest daar dan in mee moet.

In de WhatsApp-groep stuurde Erik begin februari drie opties. Allemaal prachtige plekken, dat wel. Een boutiquehotel in de Luberon, een groot huis met vijf suites bij Uzès en een landgoed in de Bourgogne. Bij elk linkje zette hij iets als: ‘Dit is toch wel precies ons niveau inmiddels?’ met een lachende emoji erachter.

Karin reageerde pas de volgende ochtend. Ze schreef netjes dat ze dit jaar graag iets betaalbaarders wilde zoeken en dat het haar leuk leek om een huisje bij een natuurgebied te nemen, waar we meer konden wandelen. Ze voegde er zelfs aan toe dat ze geen spelbreker wilde zijn.

Het bleef bijna een uur stil in de groep. Dat is lang, voor ons.

Toen schreef Paulien privé aan mij: ‘Eerlijk gezegd ben ik blij dat Karin het zegt. Sjoerd en ik vonden het vorig jaar ook wel erg gortig worden.’

Maar in de groepsapp kwam dat niet terug. Daar schreef Sjoerd alleen: ‘Voor ons hoeft het ook niet per se zo chic.’ Daarna kwam Erik: ‘Natuurlijk moet iedereen doen wat past, maar ik vraag me af of je dan nog wel dezelfde sfeer krijgt. We hebben dit juist altijd een beetje bijzonder gemaakt.’

Dat woord, sfeer, bleef hangen. Alsof een goedkoper huis meteen betekende dat we plastic bekers moesten meenemen en op een campingveldje gingen zitten. Karin werd er boos van. Ik eigenlijk ook, maar ik richtte het op haar. Dat is misschien het lelijkste eraan.

Ik zei die avond dat ze het wel erg hard speelde. Dat we ook konden kijken of we ergens op konden besparen zonder meteen de hele opzet om te gooien. Zij stond bij het aanrecht bloemkool te snijden en zei: “Bas, ik gooi niks om. Ik zeg alleen dat ik niet meer mee wil doen aan iets waar ik geen zin meer in heb.”

“Maar voor jou is het geld. Voor mij is het ook de groep.”

Ze keek me toen aan, echt lang. “Dus ik moet elk jaar mee omdat jij bang bent dat Erik anders denkt dat we niet meer bij hem passen?”

Ik zei dat ze het zo niet moest stellen. Maar zo was het natuurlijk wel een beetje.

Een paar dagen later belde Erik mij. Niet onaardig. Hij zei dat hij Karin begreep, maar dat hij geen behoefte had aan ‘een uitgeklede versie’ van onze vakantie. Hij stelde voor dat wij misschien later konden aansluiten, of een paar nachten minder konden blijven. Ik hoorde mezelf ja zeggen, alsof het een redelijke oplossing was.

Toen ik het aan Karin vertelde, zei ze niet meteen iets. Ze deed de vaatwasser dicht en veegde haar handen af aan een theedoek. Daarna zei ze: “Ga jij dan maar. Echt. Als jij daar zo graag heen wilt, moet je niet doen alsof het voor ons allebei is.”

Dat wil ik helemaal niet. Ik wil niet zonder haar in Frankrijk zitten aan een lange tafel, met Erik die een wijn uitzoekt en iedereen doet alsof alles precies is zoals vroeger. Maar ik wil ook niet degene zijn die ineens afhaakt. Ik merk dat ik zelfs bang ben voor de foto’s in de appgroep. Voor de grapjes die ik niet snap omdat ik er niet bij was.

Gisteren stuurde Paulien dat zij en Sjoerd misschien ook liever een goedkoper alternatief kiezen, maar dat ze geen zin heeft in een discussie met Erik. Marjolein heeft nog niets gezegd. Misschien vindt zij het allemaal prima zolang er maar een goed bed is. Misschien praat iedereen er thuis anders over dan in de groep.

Karin heeft inmiddels een klein huisje gevonden in de Vogezen, voor twee weken minder dan de helft van wat die andere opties kosten. Geen zwembad, wel een rivier in de buurt en wandelroutes vanaf het dorp. Ze heeft de link niet eens in de groepsapp gezet. Alleen naar mij gestuurd.

Ik heb hem gisterenavond bekeken. Het huisje is eenvoudig. De keuken is gedateerd en op de foto staat een geruite bank waar ik normaal om zou lachen. Maar er is een terras onder een grote kastanjeboom. Karin zei dat we daar ’s ochtends koffie konden drinken voordat we gingen lopen.

Ik heb nog niet gereageerd op Erik. De groepsapp staat op stil. Vanavond ga ik waarschijnlijk gewoon weer bij Karin aan tafel zitten en doen alsof we het over iets anders hebben, totdat een van ons toch begint over Frankrijk.