Toen Bram nee zei tegen Frankrijk, voelde het alsof hij ook nee zei tegen onze vriendschap
Ik had de foto al drie keer naar Bram gestuurd voordat hij reageerde. Een klein huisje, oud natuursteen, blauwe luiken die wel opnieuw geschilderd moesten worden, ergens in de Ardèche. Niet groot. Twee slaapkamers, een stuk grond met een scheef hek en, volgens de makelaar, uitzicht op de heuvels.
Bram stuurde alleen terug: “Ziet er leuk uit.”
Dat was alles.
Normaal zou ik daar niet zoveel achter zoeken. Bram is geen man van uitroeptekens of lange berichten. Hij belt liever, of hij zegt iets pas als we donderdag in De Korenbeurs zitten, op onze vaste plek achterin. Maar ik kende hem veertig jaar. Ik wist wanneer hij iets wegwuifde voordat het überhaupt een gesprek kon worden.
We leerden elkaar kennen bij de zeilvereniging in 1984. Ik was toen net in dienst bij de gemeente, Bram werkte bij een installatiebedrijf. Hij had een bootje dat eigenlijk te klein was voor twee grote kerels, een oude Valk die altijd naar vocht rook. We zijn ermee op het IJsselmeer geweest in wind waar we achteraf best bang voor bleken te zijn. Toen al zei Bram dat ik te laat reven wilde, en toen al deed ik alsof ik hem niet hoorde.
Dat is eigenlijk altijd zo gebleven. Hij remde, ik duwde. Meestal werkte het prima.
Mijn vrouw, Els, is acht jaar geleden overleden. Bram stond die hele week praktisch bij mij in huis. Hij regelde koffie toen ik daar zelf niet aan dacht, haalde mijn dochter Marije op van het station, en bleef na de begrafenis tot iedereen weg was. Hij heeft nooit veel grote woorden gebruikt. Hij was er gewoon.
Misschien dacht ik daarom dat dit huisje ook iets van ons zou zijn. Niet letterlijk een vervanging voor wat ik kwijt ben, zo simpel is het niet. Maar wel een plan voor straks. Ik ga over tien maanden met pensioen. De gemeente reorganiseert, iedereen praat over afbouwuren en pensioenpotjes en wat ze met de camper willen doen. Ik zag mezelf al een paar keer per jaar naar Frankrijk rijden. Een week klussen, een beetje wandelen, wijn halen bij zo’n coöperatie waar je met een plastic jerrycan naar binnen loopt. Bram met zijn gereedschapskist, ik met een lijst die veel te optimistisch was.
Het was geen paleis. Juist niet. We konden ieder de helft doen. Met een hypotheekje erbij, niet gek veel. Ik had de cijfers in een map gezet, echt op mijn gemak. Aankoop, notariskosten, belasting, onderhoud, een ruime post voor tegenvallers. Ik had zelfs uitgerekend wat verhuur in de zomer eventueel kon opleveren, al vond Bram dat meteen al verdacht.
Hij kwam op een dinsdagavond bij mij eten. Ik had stamppot andijvie gemaakt, veel te veel zoals altijd. Na het eten legde ik de map op tafel.
Hij keek ernaar zoals hij vroeger naar een motor keek die rare geluiden maakte.
“Hen,” zei hij, “ik ga dit niet doen.”
Ik lachte eerst nog. Niet omdat het grappig was, maar omdat ik dacht dat hij bedoelde: laten we verder kijken, of de prijs is te hoog.
“Dit huisje niet?” vroeg ik.
“Geen huisje. Niet in Frankrijk, niet in Zeeland, nergens.”
Hij schoof zijn bord iets van zich af. Hij had nog niet eens zijn koffie op.
“Ik wil mijn geld gewoon houden,” zei hij. “Voor later. Voor als er iets gebeurt. Met mij, met Anja. Je weet niet wat zorg kost, wat je nog zelf moet regelen. Ik wil niet op mijn vijfenzestigste een tweede huis gaan onderhouden.”
Ik zei dat we het onderhoud samen zouden doen. Dat hij altijd al handig was. Dat we het rustig aan konden pakken. Hij schudde alleen zijn hoofd.
“Je luistert niet,” zei hij toen. “Ik wil het niet.”
Die zin bleef hangen. Niet: ik kan het niet betalen. Niet: ik moet erover nadenken. Hij wilde het niet.
Ik heb geloof ik iets flauws gezegd over dat hij tegenwoordig wel erg voorzichtig leefde. Hij zei dat voorzichtig zijn niet hetzelfde is als bang zijn. Toen werd ik boos, echt boos, en dat verraste mijzelf nog het meest.
“Dus veertig jaar lang kunnen we wel samen een boot kopen waar we geen verstand van hebben, maar nu vertrouw je me ineens niet met een huisje?”
Bram keek me aan en werd rood in zijn nek. “Dit gaat niet over vertrouwen in jou.”
“Waar gaat het dan wel over?”
“Over dat mijn geld niet van ons is, Henk. En het jouwe ook niet.”
Daarna hebben we vrij stil gegeten. Hij vertrok vroeger dan normaal. Bij de voordeur zei hij nog dat ik hem niet zo moest aankijken alsof hij iets van me afpakte. Dat maakte het alleen erger, want zo voelde het wel.
De donderdag erna ging ik toch naar De Korenbeurs. Uit gewoonte, denk ik. Of omdat ik wilde zien of hij zou komen. Hij zat er al, met twee pilsjes op tafel. Een voor hem, een voor mij.
We praatten eerst over de zeilvereniging. Over Kees, die nu een elektrische buitenboordmotor had gekocht en daar veel te trots op was. Over voetbal. Over de regen. Alles waar je over praat als je vooral niet wilt zeggen wat eronder zit.
Na een tijdje zei Bram: “Anja heeft reuma, dat weet je.”
Natuurlijk wist ik dat. Maar ik had er blijkbaar nooit zo naar gekeken. Anja werkt nog twee dagen per week in de bibliotheek, ze lacht veel, ze fietst overal naartoe. In mijn hoofd was ze niet iemand voor wie je reserves moest aanhouden.
“Het gaat toch best?” zei ik.
“Nu wel. Maar haar moeder heeft de laatste jaren thuiszorg nodig gehad. Anja heeft dat van dichtbij gezien. Wij willen niet straks moeten rekenen of iets kan.”
Ik zei dat ik dat begreep. En een deel van mij begreep het ook. Alleen voelde het nog steeds alsof hij met een deur dichtging waar ik al bijna doorheen was gelopen.
Een paar weken later hoorde ik via iemand van de haven dat Bram en Anja naar een appartement hadden gekeken, gelijkvloers, nieuwbouw aan de rand van de stad. Dat deed me meer dan ik wil toegeven. Niet omdat ze dat niet mogen. Natuurlijk mogen ze dat. Maar omdat hij mij daar niets over had verteld, terwijl hij vroeger nog belde als hij andere zeillaarzen kocht.
Ik heb hem ernaar gevraagd. Te scherp waarschijnlijk.
Hij zei: “Omdat ik wist dat jij zou zeggen dat ik mezelf oud aan het maken ben.”
En daar kon ik niets tegenin brengen, want dat had ik waarschijnlijk ook gezegd.
Het huisje in de Ardèche is inmiddels verkocht. Ik kijk nog wel op Funda Buitenland, meestal laat op de avond. Soms zie ik iets en denk ik automatisch: dit zou Bram mooi vinden, vanwege de schuur of het dak of de afstand tot het water. Daarna leg ik mijn telefoon weg.
We zitten nog steeds elke donderdag in De Korenbeurs. Vorige week hadden we het over een tochtje in mei, twee nachten op de boot als het weer meezit. Bram zei dat hij eerst wilde kijken hoe zijn knie reageert. Ik zei dat je van wachten ook geen jongere knieën krijgt.
Hij grinnikte, gelukkig.
Maar ik weet niet of ik nog eens met een map op tafel zal komen. Misschien koop ik ooit alleen iets kleins, misschien ook niet. Mijn pensioenbrief ligt nog ongeopend op de keukentafel. Bram weet dat niet. Ik weet ook niet waarom ik het hem niet vertel.