Ik wil onze moestuin achter het huis laten bestraten, maar voor mijn man voelt dat alsof ik een deel van hem afpak

Sinds vorige maand ligt de offerte van de stratenmaker in de la onder de telefoonoplader. Ik heb hem niet verstopt, maar ik heb hem ook niet op tafel gelegd. Dat zegt misschien al genoeg.

Ik ben 58, mijn man Henk is 60. We wonen in een vrijstaand huis aan de rand van een dorp in Overijssel, in een huis dat we eind jaren negentig veel te groot vonden en waar we vervolgens toch dertig jaar zijn blijven hangen. De kinderen, Lisa en Bram, wonen nu allebei op zichzelf. Lisa in Zwolle met haar vriend, Bram in Utrecht in een appartement waar je je fiets bijna in de woonkamer moet zetten.

Vorig jaar betaalden we de laatste hypotheektermijn. Henk haalde die brief van de bank uit de envelop, las hem twee keer en zei toen: “Nou, dat is ook weer gebeurd.” Daarna zette hij koffie. Zo is hij. Geen vlaggetjes, geen etentje. Maar ik zag wel dat hij er blij van werd.

Ik dacht eerlijk gezegd dat we het rustiger zouden krijgen. Minder wassen, minder boodschappen, geen zoon meer die om elf uur ’s avonds vraagt of er nog iets te eten is. Misschien wat vaker een weekend weg. Niet naar verre landen hoor, daar zijn we allebei niet zo van, maar een huisje op de Veluwe of een paar dagen naar Groningen.

Alleen is die rust er niet gekomen. Of eigenlijk: voor Henk misschien wel, maar niet op een fijne manier.

Achter ons huis ligt een grote tuin, bijna duizend vierkante meter in totaal. Toen de kinderen klein waren, was dat heerlijk. Een grasveld, een trampoline, een schuurtje dat Henk zelf heeft gebouwd. In de loop der jaren werd een steeds groter stuk moestuin. Eerst een paar bakken met sla en courgettes, daarna aardappelen, bonen, bessenstruiken, pompoenen. Hij heeft een kasje neergezet en overal regentonnen aan gekoppeld. Hij weet precies welke grond waar zit en wanneer iets de grond in moet.

Ik heb daar lang aan meegedaan. Niet omdat ik ooit droomde van een zelfvoorzienend bestaan, maar ik vond het gezellig. Met de kinderen aardbeien plukken, in augustus veel te veel boontjes doppen, buren die langskwamen voor courgettes omdat wij er weer twintig hadden.

Maar mijn rug is de laatste jaren een probleem. Ik heb geen spectaculaire diagnose of zo. Gewoon slijtage, een paar keer verkeerd door mijn rug gegaan, fysiotherapie, oefeningen die ik te weinig doe omdat ik ze saai vind. Als ik een middag buk, wied of met zware potten loop te slepen, voel ik dat twee dagen later nog. Soms schiet het er ineens in als ik alleen maar een pan uit de onderkast pak.

Vorig najaar heb ik tegen Henk gezegd dat ik klaar was met het grote onderhoud. Niet met de tuin als geheel. Ik wilde juist een fijne tuin: een paar borders, de appelboom, misschien een verhoogde bak met kruiden die ik staand kan verzorgen. Maar dat stuk achterin met die lange rijen, het omspitten, het onkruid, de composthopen, de kas die ieder voorjaar weer schoongemaakt moet worden: ik wilde dat niet meer.

Mijn idee was om ongeveer de helft te laten bestraten met gebakken klinkers, een eenvoudige overkapping of misschien alleen een pergola, twee goede stoelen en een tafel waar we met de kinderen konden eten als ze langskwamen. Niet chic. Gewoon minder werk en meer zitten.

Henk keek me aan alsof ik had voorgesteld de hond weg te doen. We hebben niet eens een hond.

“Maar ik doe het zware werk toch?” zei hij.

Dat klonk toen nog redelijk. Ik zei dat hij dat mocht doen, als hij het echt alleen wilde. Hij beloofde het. Hij zei zelfs: “Jij hoeft alleen maar te komen kijken hoe mooi alles erbij staat.”

In maart begon het. Eerst was het nog te nat, toen moest er ineens van alles gebeuren omdat het voorjaar vroeg was. Henk ging iedere ochtend vóór zijn werk even naar buiten. Hij werkt drie dagen per week nog als onderhoudsmonteur bij een bedrijf in Deventer. De andere dagen stond hij vanaf half negen met een schop of kruiwagen in de tuin.

Rond een uur of vier kwam hij naar binnen met zo’n gezicht dat ik inmiddels ken: kaak strak, rode vlek in zijn nek, alsof hij boos is maar eigenlijk pijn heeft. Dan zei hij dat het wel ging. Vervolgens moest hij zich met twee handen aan het aanrecht vasthouden om zijn schoenen uit te doen.

De eerste keren liet ik hem. Ik weet hoe vervelend het is als iemand bij alles vraagt of het wel gaat. Maar dan stond hij de volgende ochtend weer buiten. En als hij een dag nauwelijks kon lopen, bleven er dingen liggen die volgens hem echt moesten gebeuren. De aardappels moesten aangeaard, de bonenstaken moesten de grond in, er kwam onkruid tussen de uien.

En dan ging ik toch helpen.

Niet omdat hij het vroeg. Dat maakt het misschien nog irritanter. Hij zei juist: “Nee joh, blijf jij maar zitten.” Maar ondertussen zag ik hem met zijn hand op zijn onderrug naar die kruiwagen kijken. Dus trok ik oude schoenen aan en ging ik mee. Eerst een uurtje. Daarna werd het een halve dag. Ik stond weer te bukken, met mijn knieën in het natte gras, terwijl ik de hele winter nog had gezegd dat dit niet meer ging.

Als ik daarna pijn had, was ik ook nog boos op mezelf. Henk had me tenslotte niet gedwongen. Maar ik voelde me wel gedwongen door de situatie. Als ik niets deed, keek ik naar hem terwijl hij zichzelf kapot werkte. Als ik wel hielp, was ik degene die ’s avonds met een kruik op de bank lag.

Twee weken geleden liep het uit de hand. Henk had de composthoop omgezet. In zijn eentje, natuurlijk. Hij kon die avond bijna niet van de bank opstaan. Ik zei dat dit precies was waarom ik die tuin anders wilde.

Hij zuchtte heel hard en zei: “Daar gaan we weer.”

Ik zei dat ik niet wilde dat hij iedere avond pijn had. Dat het niet normaal was dat wij onze plannen afzegden omdat hij na een zaterdag tuinieren krom loopt. Dat ik ook geen zin meer had om steeds bij te springen.

Toen zei hij iets wat me nog steeds dwarszit: “Jij wilt gewoon dat ik ophoud met het enige waar ik echt plezier uit haal.”

Dat is niet waar. Of niet helemaal. Ik wil dat hij er minder tijd en zijn lijf aan kwijt is. Maar ik snap ook wel waar het vandaan komt. Zijn werk wordt steeds meer papierwerk en storingsmeldingen op een telefoon. Hij mist het maken, denk ik. Buiten zijn. Iets zien groeien waar hij zelf moeite voor heeft gedaan. Nu de kinderen weg zijn, is die tuin misschien ook stiller geworden dan ik had gedacht, en vult hij die stilte ermee.

Maar ik ben zijn fysiotherapeut niet, zijn hulpje niet en ook niet degene die de rekening betaalt met mijn rug en onze weekenden.

Ik heb hem voorgesteld een hovenier te laten komen voor het zware werk. Niet iedere week. Gewoon in het voorjaar om te frezen, de grote snoei en misschien af en toe een middag als het uit de hand loopt. We kunnen het betalen nu de hypotheek weg is. Hij werd daar nog bozer van dan van het bestraten.

“Dan wordt het mijn tuin niet meer,” zei hij. “Dan komt er iemand die alles op zijn eigen manier doet en ik mag zeker aangeven waar de boontjes moeten.”

Ik zei dat hij dan maar moest kiezen: hulp inschakelen, of ik laat het stuk direct achter het huis bestraten. Dat deel staat op mijn naam net zo goed als op de zijne, maar zodra ik het zei voelde het kinderachtig en hard. Alsof ik dreigde met een verbouwing om mijn zin te krijgen.

Henk heeft sindsdien nauwelijks over de tuin gepraat. Dat is voor hem heel ongewoon. Hij gaat wel naar buiten, natuurlijk. Gisteren zat hij op zijn hurken bij de slaplanten. Toen hij opstond, bleef hij even met zijn hand op zijn knie staan. Ik zag het vanuit de keuken.

De offerte ligt nog steeds in die la. De stratenmaker kan pas eind september beginnen, dus ik hoef nu niet morgen te beslissen. Henk denkt waarschijnlijk dat de storm wel overwaait, zoals vaker na een ruzie. En misschien hoopt een deel van mij dat ook.

Maar vanmiddag heb ik voor het eerst gedacht: als hij morgen weer met die zware kruiwagen bezig gaat, bel ik die man toch. Niet om Henk iets af te pakken. Vooral omdat ik bang ben dat we anders straks een mooie moestuin hebben en geen energie meer om erin te zitten.