Na 27 zomers in hetzelfde huis in Frankrijk wilde ik ineens niet meer mee — en nu denkt onze vriendengroep dat ik op hen neerkijk
Ik wist dat er iets niet goed zat toen ik op een dinsdagavond in januari een foto van ons vakantiehuis in de groepsapp zag. Het was dezelfde foto die ieder jaar rond deze tijd langskomt: de luiken blauw, het grindpad, het zwembad met die ene scheve parasol. Onder de foto stond van Kees: “Onze jaarlijkse bedevaart weer vastleggen dan?”
Daarna kwamen de gebruikelijke reacties. Duimpjes, een wijnglas, iemand die schreef dat hij de pétanqueballen al aan het oppoetsen was. Ik staarde ernaar met mijn telefoon op schoot en voelde vooral moeheid. Niet omdat ik een hekel heb aan Frankrijk. Integendeel. Ik houd van de geur van warme dennen en van de eerste ochtend bij de bakker, als je met een zak nog warme croissants terugloopt.
Maar ik zag ineens alles al voor me. Dezelfde kamers. Dezelfde verdeling van wie boodschappen doet. Henk die op de tweede avond zegt dat de rosé daar toch anders smaakt. Carla die vertelt dat ze thuis eigenlijk minder wil drinken, om vervolgens iedere middag rond vijf uur de eerste fles open te trekken. Dezelfde discussie over de route naar de markt, terwijl we die markt inmiddels zevenentwintig keer hebben bezocht.
Marjan zat tegenover me met haar breiwerk. Ze keek op en vroeg waarom ik zo stil was.
Ik zei: “Ik geloof dat ik dit jaar niet mee wil.”
Ze legde haar wol op tafel alsof ik iets kapot had gemaakt.
We zijn nu 63 en 61. We kennen deze mensen al sinds onze kinderen op de basisschool zaten. Eerst stonden we met tenten op een camping bij de Ardèche. Later, toen iedereen iets meer te besteden had en de knieën slechter werden, gingen we huizen huren. Er zijn scheidingen geweest, nieuwe partners, een overlijden van de broer van Ria, kinderen die zijn gaan studeren en kinderen die zijn teruggekomen omdat ze geen woning konden vinden. In al die jaren was die vakantie een vast punt.
Misschien is dat juist het probleem. Alles ligt zo vast dat er niets meer binnenkomt.
Ik werk nog drie dagen per week als beleidsmedewerker bij de gemeente. Niet omdat we het financieel nodig hebben, al is een beetje extra pensioen straks welkom, maar omdat ik het prettig vind om met jongere collega’s te werken. Soms kom ik thuis met een verhaal over een buurtinitiatief, een tentoonstelling waar iemand me op wees, of een podcast over de geschiedenis van de Balkan. Dan knikt Marjan wel, maar ik merk dat ik die dingen met haar niet echt deel. Dat is niet haar fout. Zij heeft haar tuinclub, de kleinkinderen van haar zus, haar vrijwilligerswerk in de bibliotheek. Ze is gelukkig met dingen die ik vroeger ook genoeg vond.
In die vriendengroep word ik de laatste jaren ongeduldig. Dat klinkt vreselijk snobistisch en misschien is het dat deels ook. Ze zijn geen domme mensen. Kees heeft een goedlopend installatiebedrijf gehad, Ria was jarenlang verpleegkundige, Henk gaf les op een mbo. Maar zodra een gesprek ergens heen dreigt te gaan, wordt het afgekapt met een grap of met geroddel over iemand die er niet bij is.
Vorig jaar probeerde ik aan tafel iets te vertellen over een klein museum in Avignon waar ik die middag alleen was geweest. Het ging over migratie langs de Rhône, met oude brieven en geluidsopnames. Henk zei: “Nou, Willem heeft weer cultuur gesnoven.” Iedereen lachte. Ik lachte ook, want wat moest ik anders? Daarna ging het twintig minuten over de vraag of de barbecue wel goed schoon was.
Ik heb daar niet meteen een groot punt van gemaakt. Ik ben ook niet zo iemand die op vakantie ineens diepzinnige kringgesprekken verwacht. Alleen merkte ik dat ik steeds vaker een eind ging fietsen om alleen koffie te drinken. Of dat ik zei dat ik nog even brood ging halen en pas na anderhalf uur terugkwam. Marjan vond dat toen al overdreven.
“Je doet alsof je boven iedereen staat,” zei ze afgelopen januari, toen ik eindelijk uitlegde waarom ik niet wilde.
Dat kwam hard aan, juist omdat ik bang ben dat er iets van waar is. Ik zei dat ik niet boven hen sta, maar dat ik niet ieder jaar precies hetzelfde wil herhalen. Dat ik met haar bijvoorbeeld twee weken naar Slovenië wilde. Wandelen, kleine steden bekijken, ergens eten zonder dat er om zes uur al gereserveerd moet worden voor twaalf mensen.
Marjan werd bleek. Niet boos eerst, vooral bang.
“En wat moet ik dan tegen de rest zeggen?” vroeg ze.
Ik zei dat ze gewoon kon zeggen dat we dit jaar iets anders doen.
“Zo werkt dat niet bij ons.”
Dat was misschien wel de eerlijkste zin van die hele avond.
Ze had gelijk. Bij ons werkt het niet zo. We zijn met zes stellen, hoewel sinds de scheiding van Pieter en Els de verhoudingen al wat rommelig zijn. Als één stel afhaakt, verandert de prijs van het huis. Maar belangrijker: het voelt als een afwijzing van de groep. Alsof je zegt dat de rest je tijd niet meer waard is.
Marjan wilde eerst dat we het nog even voor ons hielden. Alleen had Kees drie dagen later al een aanbetaling gedaan. Toen kwam het bericht: of iedereen uiterlijk zondag zijn deel wilde overmaken. Marjan zei dat ik het zelf maar in de app moest zetten, omdat het mijn idee was.
Ik heb zeker tien versies getypt. Uiteindelijk schreef ik dat Marjan en ik erover dachten dit jaar niet mee te gaan, omdat we graag een keer met z’n tweeën iets anders wilden doen. Ik dacht dat het redelijk klonk. Bijna voorzichtig.
Binnen een minuut reageerde Carla: “O, dat is jammer. Is er iets?”
Daarna bleef het lang stil. Veel langer dan normaal in die app.
Kees belde me later. Hij begon heel vriendelijk, vroeg hoe het met mijn werk was, hoe het met onze zoon Daan ging. Toen zei hij: “Zeg eens eerlijk, Willem. Heb jij eigenlijk nog wel zin in ons?”
Ik weet nog dat ik in de bijkeuken stond, naast de wasmand. De droger piepte omdat hij klaar was. Ik zei dat het daar niet om ging. Hij zei dat het blijkbaar wel ergens om ging, want mensen slaan niet na zevenentwintig jaar zomaar een vakantie over.
Toen vertelde ik te veel. Niet alles, maar genoeg. Ik zei dat ik soms het gevoel had dat we vastzaten in een soort toneelstuk waarin iedereen zijn eigen rol opnieuw speelt. Dat ik behoefte had aan andere gesprekken en nieuwe indrukken. Ik hoorde mezelf praten en wist tegelijk dat dit precies klonk alsof ik hen saai vond.
Kees werd niet boos. Dat was nog erger. Hij zei alleen: “Dus wij zijn je te oppervlakkig geworden.”
Ik zei meteen dat hij dat er niet van moest maken. Maar ja, ik had het wel ongeveer zo gezegd.
De weken daarna werd Marjan stiller. Ze ging wel door met de praktische dingen: boodschappen, haar werk in de bibliotheek, op donderdag koffie met haar zus. Maar thuis zat ze vaak met haar telefoon. Ria had haar apart geappt dat ze het zo jammer vond en dat ze hoopte dat ik niet “in een fase” zat. Henk had volgens Marjan gezegd dat ik sinds mijn deeltijdwerk bij de gemeente anders was gaan doen. Dat stak me meer dan ik wilde toegeven.
Uiteindelijk is Marjan zelf wel gegaan. Niet twee weken, maar tien dagen. Ik heb haar naar Schiphol gebracht, want ze vlogen dit keer met z’n allen naar Marseille en huurden busjes. In de vertrekhal kocht ik koffie die veel te duur was. Ze had haar kleine blauwe koffer bij zich en zag er verdrietig uit, maar ook vastberaden.
“Je hoeft niet mee als je er ongelukkig van wordt,” zei ze. “Maar ik wil niet dat jij voor mij bepaalt dat ik dit kwijt moet.”
Dat was eerlijk. En pijnlijk, omdat ik dat misschien ongemerkt wel had gedaan.
Ik ben die dagen alleen naar Groningen geweest, waar een oude studievriend woont die ik veel te weinig zie. Daarna ben ik een paar dagen gaan fietsen in Drenthe. Het was rustig. Misschien zelfs te rustig. Ik had mooie gesprekken met niemand, behalve met een vrouw in een B&B die me vertelde waar ik goede mosterdsoep kon eten.
Marjan kwam bruin terug, met lavendelzeep voor de buren en een fles wijn die in haar koffer was gaan lekken. Ze zei dat het fijn was geweest, maar dat het raar voelde zonder mij. Over Kees en de anderen zei ze weinig.
Volgend jaar is nog niet besproken. De groepsapp is inmiddels weer over voetbal, kleinkinderen en een kapotte cv-ketel van Henk. Ik lees mee, soms reageer ik zelfs. Maar ik voel dat er iets verschoven is wat niet met één gezellig etentje rechtgezet wordt.
Vorige week vroeg Marjan of ik mee wilde naar Kees en Ria, gewoon koffie drinken. Ik zei ja. Daarna vroeg ik of ze dacht dat ik excuses moest maken.
Ze haalde haar schouders op terwijl ze de vaatwasser inruimde.
“Misschien niet voor wat je voelt,” zei ze. “Wel voor hoe je het gezegd hebt.”
Ik denk dat ze gelijk heeft. Alleen weet ik nog steeds niet of dat betekent dat ik volgend jaar weer naast het zwembad moet zitten, wachtend tot iemand dezelfde grap maakt als in 2009.