Na veertig jaar vriendschap zei ik eindelijk nee tegen de reis die onze band moest redden
De uitnodiging lag drie dagen op de eettafel voordat ik hem openmaakte. Niet omdat ik niet wist wat erin stond. Cor had me er al twee keer over gebeld en Marijke had mijn vrouw Els er foto’s van gestuurd via WhatsApp: een rondreis door Zuid-Portugal, twaalf dagen, een klein gezelschap van acht mensen, goede hotels, wijnproeverij, van alles.
Ik zag aan de envelop al dat het zo’n reisorganisatie was waar je niet even vrijblijvend naar kijkt. Glanzend papier, een strandje erop, een prijs waar ik even van moest slikken. Niet omdat we het niet zouden kunnen betalen. We hebben het niet breed-breed, maar we redden ons prima. Het ging me erom dat ik meteen wist: Els gaat dit niet trekken.
En eerlijk gezegd ik ook niet, niet op deze manier.
We kennen Cor en Marijke sinds 1983. We woonden toen allebei in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, van die huizen met zand tot aan de voordeur en nog geen boom die hoger was dan een kinderfiets. Onze kinderen scheelden bijna niets in leeftijd. We hebben verjaardagspartijtjes gedaan in achtertuinen met opblaasbadjes, skivakanties waar de helft ziek werd, en jarenlang kerstavond om en om bij elkaar gegeten.
Toen Cor een bypassoperatie kreeg, reed ik Marijke iedere week naar het ziekenhuis in Utrecht. Toen onze zoon Daan op zijn negentiende in de problemen kwam met gokken, was Cor de enige buiten de familie die ik het vertelde. Hij zei toen niet veel, maar hij kwam de volgende zaterdag gewoon helpen de schutting te beitsen. Dat was zijn manier.
Dus dit gaat niet over vrienden die je een paar jaar kent en die je makkelijk laat verwateren. Cor en Marijke horen bij ons leven. Soms weet Marijke nog eerder wat Els lekker vindt dan ikzelf. Dat klinkt misschien overdreven, maar zo is het.
Alleen is Els het afgelopen anderhalf jaar veranderd. Of eigenlijk: ze probeert weer een beetje zichzelf te worden, maar niemand weet goed wie dat dan is. Ze werkte tot haar 64e op de administratie van een zorginstelling. Altijd degene die insprong, nog even een dienst ruilde, een collega opving die huilend bij haar bureau zat. Thuis deed ze hetzelfde. Voor haar moeder, voor de kleinkinderen, voor iedereen.
Toen het misging, ging het ook echt mis. Niet spectaculair. Geen ambulance of zo. Ze stond op een dinsdagochtend in de keuken, had haar jas al aan voor een afspraak bij de mondhygiënist, en ze wist ineens niet meer hoe de voordeur open moest. Ze belde mij op mijn werk en zei alleen: ‘Henk, ik denk dat er iets kapot is in mijn hoofd.’
Dat vergeet ik nooit.
De huisarts noemde het overspannen, later burn-outklachten. Ze is nu bijna een jaar verder. Het ergste huilen en schrikken is minder, maar een middag met bezoek kan haar nog twee dagen leegtrekken. Een etentje in een druk restaurant is voor haar geen ontspanning. Ze zit dan rechtop, glimlacht, probeert mee te praten, en thuis zegt ze niets meer. Dan zet ze haar schoenen in de gang, gaat op bed liggen en slaapt vaak niet eens.
Cor begreep dat aanvankelijk best. Marijke ook, denk ik. Ze brachten soep, stuurden kaartjes, en zeiden steeds dat we niets hoefden uit te leggen. Maar toen Marijke vorig voorjaar met pensioen ging, veranderde de toon langzaam.
Ze had er jaren naartoe geleefd. Geen wekker meer, geen gedoe met haar team op school, eindelijk tijd. Ze wilde wandelen op woensdag, lunchen in de stad, een museumkaart gebruiken ‘nu het nog kan’. Dat laatste zei ze vaak lachend, maar Els trok dan altijd even haar mond strak.
Eerst sloegen we een paar dingen af. Daarna steeds vaker. Niet omdat we Cor en Marijke niet wilden zien, maar omdat alles meteen een hele dag moest zijn. Koffie werd koffie met lunch. Lunch werd shoppen in Utrecht. Een voorstel om een uur bij ons te komen zitten, werd door Marijke opgevat als: ‘Nou, dan heeft het ook niet zoveel zin.’
Els begon zich schuldig te voelen. Dat is misschien nog wel haar slechtste eigenschap, als je het zo mag noemen. Ze stuurde lange berichten waarin ze uitlegde dat ze moe was, dat het niet persoonlijk was, dat ze hoopte dat het beter zou gaan. Marijke reageerde dan vriendelijk, met hartjes soms, maar een week later kwam er weer iets.
‘We moeten wel een beetje moeite voor elkaar blijven doen, hè.’
Of: ‘Vroeger was jij altijd de eerste die ja zei.’
Ik vond dat steeds moeilijker om te lezen. Tegelijk dacht ik ook: Marijke is gekwetst. Zij ziet haar pensioen anders verlopen dan ze had verwacht. Misschien voelt zij zich ook alleen nu haar werk wegvalt. Cor is niet iemand die uit zichzelf plannen maakt. Als Marijke niets organiseert, gebeurt er weinig. Ik snapte dat allemaal best.
Maar begrip werd bij mij op een gegeven moment irritatie.
Die reis was de druppel, al klinkt dat achteraf groter dan het moment zelf was. Cor belde op een zondagavond. Hij zei dat ze al vier andere stellen hadden gevraagd en dat iedereen enthousiast was. Ze hadden expres nog twee plekken vrijgehouden voor ons.
‘Marijke zegt: als jullie dit ook al niet doen, dan weten we eigenlijk niet meer waar we staan,’ zei hij.
Hij zei het zacht, bijna verontschuldigend. Dat maakte het erger.
Ik keek naar Els aan de andere kant van de bank. Ze had de televisie uit staan maar was niet echt aan het luisteren. Haar handen lagen plat op haar benen, alsof ze zichzelf stil moest houden.
Ik zei tegen Cor dat ik erover zou praten.
Die avond hebben Els en ik nauwelijks gepraat. Uiteindelijk zei ze: ‘Als jij graag wilt, ga jij maar.’
Dat brak mijn hart een beetje, juist omdat ze het zo gewoon zei. Alsof zij het probleem was dat opgelost moest worden.
De volgende ochtend heb ik Marijke gebeld. Ik had me voorgenomen rustig te blijven en dat lukte de eerste minuut ook. Ik zei dat we niet meegingen, dat het financieel niet het punt was, maar dat Els rust nodig had en dat zo’n groepsreis gewoon te veel was.
Marijke bleef een paar seconden stil.
Toen zei ze: ‘Henk, we vragen haar niet om een marathon te lopen. Het is een vakantie.’
Ik weet nog dat ik naar de afwas keek. Er stond een pan met aangekoekte havermout in de gootsteen, heel onbenullig. Ik zei: ‘Voor Els is een vakantie met zes andere mensen die allemaal plannen hebben, geen vakantie.’
Ze werd boos. Niet schreeuwen, dat doet Marijke niet. Maar haar stem werd hard. Ze zei dat zij ook steeds rekening moest houden met Els, dat zij al maanden het gevoel had dat wij haar op afstand hielden. ‘En vriendschap is toch niet alleen maar komen als het jou uitkomt?’
Daar had ze, eerlijk gezegd, niet helemaal ongelijk in. We waren niet goed geweest in iets kleins aanbieden. We hadden vaak afgezegd zonder meteen een ander moment te noemen, omdat Els niet wist hoe ze zich de week erna zou voelen. Voor Marijke moet het hebben gevoeld alsof er alleen nog een gesloten deur was.
Maar ik zei toch: ‘Nee. Vriendschap is ook niet iemand laten bewijzen dat ze nog meedoet door twaalf dagen mee te gaan omdat jij anders teleurgesteld bent.’
Het bleef lang stil. Toen zei Marijke: ‘Dan is het blijkbaar niet meer hetzelfde.’
Ik antwoordde dat het al een tijd niet meer hetzelfde was. Meteen nadat ik ophing had ik daar spijt van. Niet omdat het niet waar was, maar omdat het klonk alsof ik onze hele geschiedenis wegveegde.
Sinds dat gesprek hebben we Cor en Marijke twee keer gezien. Eén keer kwamen ze een uurtje koffie drinken. Dat was eigenlijk best prettig, tot Marijke bij het weggaan zei dat Portugal prachtig was geweest en dat Els het echt had moeten proberen. Els glimlachte alleen maar.
Vorige week stuurde Cor mij een foto van een terras daar. Geen tekst erbij. Ik heb een duimpje teruggestuurd en me daarna laf gevoeld.
Morgen ga ik hem bellen. Niet om alles glad te strijken, want dat kan ik niet. Ik wil hem voorstellen dat we samen een keer gaan vissen, zoals vroeger. Zonder Marijke en zonder Els, gewoon een ochtend aan het Eemmeer met een thermoskan koffie. Misschien zegt hij nee. Misschien vindt hij dat kinderachtig.
Maar ik ben klaar met doen alsof Els eerst weer de oude moet worden voordat onze vriendschap verder mag. En ik ben ook klaar met alleen maar zwijgen en hopen dat anderen vanzelf begrijpen wat er aan de hand is.
De reisbrochure ligt inmiddels bij het oud papier. Els heeft hem daar zelf neergelegd. Daarna vroeg ze of ik vanmiddag even mee naar het tuincentrum wilde, voor twee planten op het balkon. Dat gaan we doen. Niet meer dan dat.