Na veertig jaar vriendschap durfde ik niet meer op te nemen als Kees belde
Ik zag Kees’ naam op mijn telefoon staan terwijl ik in de Albert Heijn bij het schap met koffie stond. Mijn eerste reactie was niet bezorgdheid, maar irritatie. Dat durf ik bijna niet op te schrijven.
Ik heb de telefoon laten overgaan. Daarna zette ik hem in mijn jaszak op stil en nam ik decafé mee, terwijl we thuis helemaal geen decafé drinken. Ik was gewoon even niet helder meer.
Kees en Marjan kennen wij al ruim veertig jaar. Els en ik leerden hen kennen op een camping bij het Gardameer, in 1983. We waren allemaal net getrouwd, hadden weinig geld en een veel te grote koelbox bij ons. Kees hielp mij die koelbox uit de kofferbak tillen, waarna hij zei dat we beter naast elkaar konden staan omdat wij kennelijk allebei niet konden parkeren. Zo is het begonnen.
Daarna werd alles vanzelf samen. De kinderen groeiden min of meer met elkaar op. Zondagen bij elkaar eten, oud en nieuw, weekendjes Zeeland, later wintersport toen we daar eindelijk geld voor hadden. Als mijn vader in het ziekenhuis lag, stond Kees zonder dat ik erom vroeg met een tas schone kleren voor me bij de ingang. Toen Marjan borstkanker kreeg, jaren geleden gelukkig goed behandeld, reed Els haar naar afspraken als Kees moest werken.
Dus toen Kees vorig voorjaar ineens thuis kwam te zitten, hielpen we gewoon. Hij had jarenlang als rayonmanager gewerkt bij een groothandel. Altijd onderweg, altijd bellen, altijd ‘nog even dit’. Hij was geen man die ergens over klaagde. En toen zat hij op een dinsdag bij ons aan de keukentafel, met zijn jas nog aan, en zei hij dat hij die ochtend in de auto had gezeten en niet meer wist waar hij heen moest.
De bedrijfsarts noemde het burn-outklachten. Later kwam daar depressie bij. Hij sliep slecht, raakte in paniek van post en had dagen dat hij niet eens onder de douche kwam. Marjan probeerde sterk te blijven, maar zij is van zichzelf al een piekeraar. Zij werkte nog drie dagen per week in een apotheek en kwam dan thuis in een huis waar de gordijnen dicht waren en Kees soms nog niet had gegeten.
In het begin gingen Els en ik twee keer per week langs. Ik hielp met zijn e-mail, de brieven van de werkgever en een formulier voor het UWV waar hij compleet van dichtklapte. Els kookte extra porties soep en las met Marjan de post door. Dat voelde niet als een opgave. Het voelde als wat je doet voor mensen die er altijd voor jou zijn geweest.
Alleen bleef het niet bij twee keer per week.
Kees begon ’s ochtends vroeg te bellen. Soms om half acht. Dan was hij al uren wakker en wilde hij weten of ik dacht dat zijn leidinggevende hem eruit wilde werken. Of hij stuurde screenshots van e-mails met de vraag wat hij terug moest schrijven. Ik ben mijn hele leven technisch tekenaar geweest. Ik weet niets van arbeidsrecht, maar ik ging toch uitzoeken wat verstandig was. Want als ik zei dat hij beter met zijn casemanager of een jurist kon praten, hoorde ik aan de stilte dat hij zich afgewezen voelde.
Op dinsdag en donderdag aten we steeds vaker bij hen. Niet omdat ze ons uitnodigden voor de gezelligheid zoals vroeger, maar omdat Marjan zei dat Kees anders alleen een boterham met pindakaas at. Els nam dan een pan mee. Ik deed alsof ik niet merkte dat Kees soms de hele avond alleen maar naar zijn bord keek, tot hij ineens begon over hoe waardeloos hij zichzelf vond.
Je kunt daar niet vrolijk op reageren. Je kunt ook niet steeds het juiste zeggen. Ik zei vaak maar: ‘Je bent niet waardeloos, Kee.’ En dan knikte hij, maar het leek hem niet te bereiken.
We waren net allebei met pensioen. Ik sinds januari, Els een halfjaar eerder. We hadden geen grote plannen, hoor. Geen wereldreis. Juist lekker fietsen als het droog was, op woensdag naar de markt, eens naar het Spoorwegmuseum met onze kleindochter. We hadden na al die jaren werken eindelijk rust in huis. Die rust werd ongemerkt iets waar we omheen moesten plannen.
Els vond dat ik hard werd. Misschien had ze gelijk. Als Kees belde, zuchtte ik soms al voordat ik opnam. Als Marjan appte of we ‘misschien vanavond even konden komen’, keek ik eerst naar Els. Zij zei dan: ‘Ze vragen het niet voor hun lol.’
Dat wist ik zelf ook wel. Maar ik begon slecht te slapen. Niet zoals Kees, dat wil ik niet met elkaar vergelijken. Maar ik lag wakker en maakte in mijn hoofd lijstjes van wat er nog geregeld moest worden: de afspraak met de praktijkondersteuner, die brief, de boodschappen, of Kees wel naar buiten was geweest. Mijn eigen broer belde eens en ik had geen zin om op te nemen omdat ik bang was dat hij ook iets nodig had. Daar schrok ik van.
Het weekend waarop het misging, zouden Els en ik naar een huisje bij Dwingeloo gaan. Twee nachten. Het was een cadeaubon van onze kinderen voor onze pensioenen. Geen bereikbare exotische bestemming, gewoon Drenthe, met onze wandelschoenen en een boek.
Op de donderdag ervoor belde Marjan. Haar zus, die normaal soms bijsprong, was met haar man naar Spanje. Kees had die week twee heel slechte dagen gehad. Hij had niet gezegd dat hij zichzelf iets wilde aandoen, benadrukte ze meteen, maar hij was erg somber en zij durfde hem eigenlijk niet alleen te laten.
‘Kunnen jullie dat weekend misschien bij ons slapen?’ vroeg ze. ‘Of in elk geval zaterdag en zondag overdag? Dan kan ik ook even naar mijn werk en misschien een paar uur mijn hoofd leegmaken.’
Ik zei niet meteen nee. Dat was misschien mijn fout. Ik keek naar Els. Zij keek terug alsof ze hoopte dat ik het antwoord zou geven.
Toen zei ik dat het ons speet, maar dat we echt weg zouden gaan.
Aan de andere kant bleef het stil. Marjan zei uiteindelijk: ‘Ja, natuurlijk. Jullie hebben ook recht op jullie weekend.’ Maar die zin klonk helemaal niet alsof ze het vond.
Een uur later stuurde Kees mij een bericht. Geen lange tirade. Alleen: ‘Blijkbaar weet je pas wat vriendschap waard is als het lastig wordt.’
Ik werd woest. Ik heb mijn telefoon op tafel gelegd en gezegd dat hij onrechtvaardig was. Els zei niks, en juist dat maakte me nog bozer. Later zei ze dat ze hem ergens wel begreep. Niet dat hij gelijk had, maar dat hij bang was en zich in de steek gelaten voelde.
We zijn alsnog naar Drenthe gegaan. De eerste avond zaten we in een eetcafé met twee glazen wijn en ik voelde me alsof ik iets gestolen had. Els keek steeds op haar telefoon. De volgende ochtend hadden we drie gemiste oproepen van Marjan. Kees had een paniekaanval gehad. De huisartsenpost had met hem gesproken en Marjan had uiteindelijk haar buurvrouw gebeld om even te komen zitten.
Sindsdien is het anders. Niet voorbij, niet opgelost, gewoon anders.
Kees heeft nu gesprekken bij de ggz en Marjan heeft via de praktijkondersteuner ook iemand gevonden om mee te praten. Dat had misschien veel eerder gemoeten, maar wij waren ondertussen zo dichtbij gekomen dat iedereen dacht dat wij het wel opvingen. Inclusief wijzelf.
We gaan nog steeds naar hen toe, meestal op zondagmiddag. Ik help Kees soms met de administratie, maar niet meer als er om tien uur ’s avonds een appje komt. Els neemt nog wel eens eten mee, maar niet standaard. Dat hebben we geprobeerd uit te spreken. ‘We zijn jullie vrienden,’ zei Els, ‘maar we kunnen niet jullie hulpverlening zijn.’
Marjan huilde toen. Kees zei bijna niets. Daarna hebben we koffie gedronken en ging het over de verbouwing bij hun dochter, wat eigenlijk belachelijk gewoon voelde na zo’n gesprek.
Kees belt minder. Soms neem ik meteen op. Soms niet. Ik zeg dan later dat ik aan het fietsen was of in de tuin stond, en dat is meestal ook zo.
Maar afgelopen week kreeg ik van hem een foto van de eerste krokussen in hun voortuin. Alleen die foto, zonder vraag erachter. Ik heb teruggestuurd dat ze bij ons nog niet boven de grond staan. Daarna heb ik de telefoon weggelegd en ben ik de aardappels gaan afgieten.