Na 32 jaar vriendschap mogen we van Henk en Marijke alleen nog langskomen als we leven volgens hun regels

Ik heb de appgroep van ons vieren nog steeds vastgezet bovenaan in WhatsApp. ‘De Vier van Vrijdag’ heet hij, al jaren. Ooit bedacht door Marijke, toen we nog elke vrijdag na het werk bij elkaar aan de keukentafel zaten. Nu zijn we allemaal met pensioen, behalve mijn man Kees die nog twee dagen per week bij zijn oude installateur helpt, maar die naam is blijven hangen.

Als ik erop druk, zie ik vooral oude dingen. Foto’s van Texel, Henk met zijn veel te grote zonnehoed in Frankrijk, Marijke en ik op de rommelmarkt in Deventer met dezelfde blauwe regenjas omdat het zo stortregende. Condoleances toen mijn moeder overleed. Een bericht van Henk om half zeven ’s ochtends: ‘Sneeuw! Wandelschoenen aan?’

En dan, lager in beeld, de berichten van de afgelopen maanden. Daar krijg ik inmiddels een soort knoop van in mijn maag van.

Henk en Marijke zijn niet ineens vervelende mensen geworden. Dat wil ik wel eerlijk zeggen. Henk heeft vroeger jarenlang in het onderwijs gewerkt en hij kon zich altijd al opwinden over onrecht. Marijke is juist degene die meteen soep brengt als iemand ziek is. Toen Kees zijn heupoperatie had, kwam ze drie weken lang op dinsdag met een pan stamppot aanzetten, zonder dat we daarom vroegen.

Maar sinds anderhalf jaar is het alsof alles langs één meetlat moet.

Het begon met vlees. Marijke had documentaires gekeken over de vee-industrie en Henk was meegegaan naar een bijeenkomst in Utrecht. Eerst aten ze zelf geen vlees meer. Prima, dacht ik. Ik maakte de volgende keer een linzensoep en broodjes hummus. Niet omdat ik daar nu zo dol op ben, maar omdat het een kleine moeite was en ik het ook wel lekker vond.

Daarna werd het zuivel. Toen koffie van bepaalde merken, omdat die volgens Henk ‘fout’ waren. Daarna wilden ze niet meer naar het terras bij de haven waar we al jaren op Koningsdag zitten, omdat de eigenaar volgens hen te weinig deed voor zijn personeel. Dat wist ik niet eens. Misschien klopt het ook wel, ik heb het niet uitgezocht.

Op een gegeven moment werd ik voorzichtig met voorstellen. Als ik zei: ‘Zullen we zondag ergens lunchen?’, dacht ik al: waar dan, wat eten ze daar, wie bezit die zaak, is er iets dat ik over het hoofd zie?

Kees zei steeds dat ik het te groot maakte.

‘Ze proberen gewoon bewuster te leven, Els.’

‘Dat mogen ze toch ook?’ zei ik dan. ‘Maar waarom moet ik elke keer verantwoorden wat ik op mijn bord heb?’

Hij haalde zijn schouders op. Kees is iemand die een ruzie liever oplost door koffie te zetten dan door te zeggen wat hij vindt. Normaal vind ik dat een fijne eigenschap. Nu niet altijd.

De echte barst kwam in april. We zouden bij ons eten, gewoon op zaterdag. Ik had boodschappen gedaan. Niet eens uitgebreid: asperges, krieltjes, salade en voor Kees en mij twee kleine kogelbiefstukjes van de slager. Voor Henk en Marijke had ik portobello’s gehaald. Ik had er echt over nagedacht.

Een uur voordat ze zouden komen, stuurde Marijke een berichtje.

‘Els, ik wil niet lastig doen, maar Henk ziet er erg tegenop om aan tafel te zitten als er vlees wordt gegeten. Zou je misschien alles plantaardig willen houden vanavond?’

Ik keek naar die tas van de slager in de koelkast. Het ging me niet eens om die biefstuk. Ik eet best vaak vegetarisch. Maar de toon van ‘zou je misschien’ voelde niet als een vraag. Meer als: anders komen we niet.

Ik heb teruggestuurd dat ik apart voor hen kookte en dat niemand hen iets zou opdringen. Marijke reageerde bijna meteen.

‘Voor ons gaat het niet alleen om wat wij zelf consumeren. We willen niet meer meedoen aan normaliseren van dierenleed.’

Daar stond ik dan, 64 jaar, in mijn eigen keuken, met mijn telefoon in mijn hand en ineens tranen in mijn ogen. Niet omdat ik zo nodig vlees wilde eten. Maar omdat ik me behandeld voelde als iemand die iets verwerpelijks deed.

Kees las het bericht en zuchtte.

‘Kunnen we die biefstuk niet gewoon invriezen? Voor één avond, Els.’

Ik zei: ‘Het is nooit één avond. Vorige maand konden we niet naar dat eetcafé. Met kerst moesten we eerst een lijstje sturen van wat ik zou maken. Straks mogen we alleen nog afspreken als ik bewijs dat ik het op hun manier doe.’

Dat was niet helemaal eerlijk. Marijke had nooit om bewijs gevraagd. Maar ik was kwaad en ik wilde dat Kees eindelijk zag hoe benauwd het voor mij begon te voelen.

Uiteindelijk hebben Henk en Marijke die avond afgezegd. Kees en ik hebben zwijgend gegeten. De portobello’s lagen nog in de schaal op het aanrecht. Ik heb ze de volgende dag in plakjes door een omelet gedaan, omdat weggooien me ook weer tegenstond.

Daarna bleef het stil. Niet helemaal, maar anders. Henk stuurde nog een link naar een petitie. Marijke vroeg hoe het met Kees zijn heup was. Ik reageerde netjes. We stuurden elkaar een kaart met hun trouwdag. Maar de vanzelfsprekendheid was weg.

Vorige week belde Marijke eindelijk. Ze klonk moe. Haar zus ligt in het ziekenhuis en ik hoorde aan alles dat ze iemand nodig had om even tegen te praten. We hebben ruim een uur gebeld. Over haar zus, over wachten op uitslagen, over hoe je je op onze leeftijd ineens realiseert dat je niet onbeperkt tijd hebt met mensen.

Aan het einde zei ze: ‘Ik mis jullie wel.’

Ik ook, wilde ik zeggen. Ik mis jou misschien nog wel het meest.

Maar daarna kwam: ‘Zullen we dan binnenkort bij ons eten? Wel graag volledig plantaardig, en ik wil je eerlijk zeggen dat Henk het fijn zou vinden als jullie daar thuis ook eens goed over nadenken. Anders blijft het voor hem moeilijk.’

Ik voelde mezelf weer dichtklappen.

Ik heb gezegd dat we best bij hen plantaardig eten, natuurlijk. Hun huis, hun tafel. Maar dat ik niet kan beloven hoe wij thuis leven of waar we wel en niet naartoe gaan. Marijke werd stil. Niet boos. Eerder teleurgesteld, en dat vond ik bijna erger.

‘Dan zitten we gewoon heel verschillend in wat vriendschap is,’ zei ze.

Sinds dat gesprek heeft Kees twee keer gezegd dat ik koppig ben. Hij mist Henk. Ze gingen samen vissen, al was het de laatste jaren vooral een thermoskan koffie meenemen en klagen dat ze niets vingen. Kees zegt dat je na je zestigste niet zomaar mensen vindt met wie je een geschiedenis hebt.

Daar heeft hij gelijk in. Onze kinderen wonen niet om de hoek. Collega’s vallen weg. Sommige kennissen blijken alleen kennissen als je elkaar toevallig tegenkomt bij de supermarkt of de fysiotherapeut. Henk en Marijke waren voor ons geen ‘gezellig stel’. Ze waren familie die we zelf hadden uitgekozen.

Maar ik wil ook niet bij elke hap, elk uitje en elk gesprek voelen dat ik eerst langs een morele keuring moet. Misschien ben ik inderdaad minder principieel dan zij. Misschien maak ik het te persoonlijk. Ik koop ook wel eens iets waarvan ik weet dat het niet duurzaam is, en ik ga echt niet beweren dat ik daar nooit over nadenk.

Vanavond heb ik in de appgroep gezet dat Kees en ik zondag gaan wandelen op de Veluwe en daarna ergens koffie drinken. ‘Jullie zijn welkom,’ schreef ik. ‘We zoeken ter plekke wel een plek uit waar voor iedereen iets is.’

Henk heeft het gezien. Marijke ook.

Er is nog niets teruggestuurd. De wandelschoenen staan al bij de voordeur, alsof dat iets zegt.