Na veertig jaar vriendschap wilden zij meer samen doen, terwijl ik eindelijk minder wilde moeten
De groepsapp heet nog steeds ‘De Vier Musketiers’, al heeft niemand van ons ooit iets met musketiers gehad. Hij is ooit aangemaakt door Frank, omdat we tijdens een weekend in Limburg steeds kwijt waren wie de boodschappen zou doen. Inmiddels staat er van alles in: foto’s van kleinkinderen, de uitslag van de biljartclub van Frank, berichten over kapotte knieën, een recept voor stoofperen van mijn vrouw Els.
En de laatste maanden vooral plannen.
Afgelopen dinsdag zag ik bij het wakker worden al twaalf ongelezen berichten. Ik lag nog in bed, Els sliep naast me, en ik voelde meteen zo’n lichte druk op mijn borst die vroeger hoorde bij te laat op kantoor komen. Terwijl ik sinds vorig jaar juist niet meer hoef te werken.
Frank had een link gestuurd naar een reis naar Noord-Italië. Tien dagen. Met een bus, wijnproeverijen, elke ochtend een excursie en drie gezamenlijke diners. ‘Dit is echt óns soort reis’, had hij erbij gezet. Daarna drie duimpjes en een bericht van Marijke: ‘Nu boeken, anders zitten we straks weer overal achteraan.’
Ik heb mijn telefoon omgedraaid en ben naar beneden gegaan om koffie te zetten.
We kennen Frank en Marijke al veertig jaar. Ik was destijds net begonnen bij de gemeente in Amersfoort, Els werkte nog in de verpleging. Frank zat bij een installatiebedrijf en Marijke gaf les op een basisschool. We woonden in dezelfde straat, in van die net opgeleverde huizen waar iedereen ongeveer even weinig geld had en de tuinen nog uit zand bestonden.
Onze kinderen groeiden bijna als neefjes en nichtjes op. We gingen met twee tenten naar Frankrijk, later met te grote huurhuisjes waar altijd wel een bed doorzakte. Toen onze zoon Ruben op zijn negentiende een motorongeluk kreeg, stonden Frank en Marijke dezelfde avond bij ons op de stoep. Frank zei nauwelijks iets. Hij zette gewoon een tas boodschappen op het aanrecht en bleef bij mij zitten totdat Els uit het ziekenhuis belde.
Toen Marijke borstkanker kreeg, reden wij om beurten mee naar het Meander. Els ging met haar mee naar de pruikenwinkel, wat Marijke achteraf verschrikkelijk vond, maar toen wilde ze per se niet alleen. Dat soort dingen vergeet je niet. En ik wil ze ook niet vergeten.
Misschien is dat juist waarom het nu zo ongemakkelijk voelt.
Frank en Marijke zijn allebei sinds twee jaar met pensioen. Ze bloeien ervan op, echt. Frank zit in het bestuur van de wijkvereniging, organiseert een wandelgroep en heeft een plan om met een paar mensen een buurtmoestuin te beginnen op een stuk grond achter het oude schoolgebouw. Marijke helpt bij de taalmaatjes en heeft inmiddels meer afspraken dan toen ze werkte.
Ze noemen het zelf ‘niet achter de geraniums verdwijnen’. Daar ben ik het ook mee eens. Alleen: ik wil helemaal niet achter geraniums verdwijnen. Ik wil soms gewoon na het ontbijt de krant uitlezen zonder dat er om half elf een appje komt met de vraag of ik vanavond mee vergader over een fietstocht in het voorjaar.
Mijn laatste jaren bij de gemeente waren druk. Reorganisaties, minder mensen, steeds weer een nieuw systeem dat zogenaamd alles eenvoudiger maakte. Ik heb lang gedacht dat ik na mijn pensioen vanzelf weer energie zou krijgen. Maar de eerste maanden merkte ik vooral hoe moe ik eigenlijk was. Niet ziek-moe. Gewoon vol.
Els heeft daar meer begrip voor dan ik had verwacht. Zij werkt nog twee ochtenden per week in een hospice, omdat ze daar zelf voor kiest. Verder schildert ze weer. Niet goed, zegt ze altijd, maar ze is er uren mee bezig aan de keukentafel en dan is ze rustig.
‘Je hoeft niet overal een reden voor te hebben,’ zei ze laatst toen ik twijfelde over die reis. ‘Je mag ook gewoon geen zin hebben.’
Dat klinkt eenvoudig. Maar bij Frank en Marijke voelt geen zin hebben bijna als een karakterfout.
Het begon niet eens met Italië. Eerst was er het idee van Marijke om onze gezamenlijke geschiedenis vast te leggen. Veertig jaar vriendschap, vier gezinnen, inmiddels zeven kleinkinderen. Ze wilde een boek maken, geen professioneel boek, maar een mooie map met verhalen en foto’s. Dat vond ik op zich een aardig idee.
Alleen werd het al snel groter. Er moesten interviews komen met de kinderen. Oude dia’s digitaliseren. Maandelijks samenkomen om hoofdstukken te bespreken. Frank kende iemand van de historische kring die misschien kon helpen met vormgeving. Marijke had het over een presentatie in het buurthuis, ‘voor familie en mensen die ons kennen’.
Toen ik zei dat ik best eens oude foto’s wilde uitzoeken, maar niet elke maand een vaste avond wilde reserveren, werd het stil aan tafel.
Marijke roerde in haar thee en zei: ‘Maar juist samen terugkijken is toch het mooie ervan?’
Ik zei dat ik dat niet ontkende. Ik zei ook dat ik tegenwoordig niet zoveel meer vast wilde zetten in mijn agenda.
Frank keek me aan alsof ik had gezegd dat ik voortaan alleen nog met vreemden om wilde gaan.
‘We vragen toch niet veel, Arjen?’ zei hij.
Dat was misschien het moment waarop ik het verkeerd heb gedaan. Ik voelde me aangevallen en zei: ‘Nee, jullie vragen alleen of ik mijn pensioen op jullie manier wil invullen.’
Els schopte zacht tegen mijn been onder tafel. Marijke kreeg rode vlekken in haar hals. We hebben het daarna nog over de verbouwing bij hun dochter gehad, maar iedereen wist dat het gesprek niet voorbij was.
De reis kwam een paar weken later. We hebben er twee dagen over gepraat, Els en ik. Niet omdat we twijfelden of we naar Noord-Italië wilden. Ik wist eigenlijk meteen dat ik dat niet wilde. Tien dagen in een bus, vaste tafelschikking, programma’s vanaf acht uur. Zelfs als het prachtig was, zou ik na drie dagen alleen nog verlangen naar een bankje ergens zonder gezelschap.
Maar Els zei terecht dat het niet alleen om die reis ging.
Uiteindelijk stuurde zij het bericht, heel vriendelijk. Dat we het aanbod lief vonden, maar dit jaar liever een paar dagen met z’n tweeën weg wilden, misschien naar de Waddeneilanden buiten het seizoen.
Marijke reageerde pas de volgende ochtend. ‘Jammer. Maar we merken al een tijd dat jullie steeds afhaken. We weten niet goed wat we daarmee moeten.’
Frank stuurde niets.
Die middag belde ik hem. Ik had mezelf voorgenomen rustig te blijven, maar zodra hij opnam, klonk hij kortaf.
‘Het is niet alleen die reis,’ zei hij. ‘Het lijkt alsof jullie nergens meer onderdeel van willen zijn. Alsof alles wat we samen hebben gedaan ineens te veel wordt.’
Ik zei dat veertig jaar vriendschap toch niet betekende dat we nu verplicht een soort team moesten blijven vormen.
‘Verplicht,’ herhaalde hij. ‘Zo voelt het dus voor jou.’
Dat kwam harder aan dan ik wilde toegeven. Ik zei dat ik niet wist hoe ik het anders duidelijk moest maken. Hij zei dat hij ook niet wist wat hij ermee moest. Daarna viel er zo’n stilte waarin je allebei hoort dat het gesprek eigenlijk al klaar is.
Sindsdien is het rustiger in de app. Te rustig misschien. Vorige week stuurde Marijke een foto van hun nieuwe kleindochter. Els reageerde meteen met hartjes. Ik ook, maar pas een uur later, omdat ik niet wist of dat kinderachtig overkwam.
Vanmiddag gaan Els en ik naar de boekhandel in het centrum. Daarna drinken we koffie bij Van Zanten, als er plek is. Ik heb Frank gisteren een apart bericht gestuurd: of hij binnenkort eens wil wandelen, zonder agenda en zonder plannen. Hij heeft het gelezen. Nog geen antwoord.
Ik hoop dat hij ja zegt. Niet omdat ik alsnog mee wil naar Italië of omdat ik dat boek wil afmaken alsof er niets gebeurd is. Maar omdat ik hem mis, en omdat ik bang ben dat hij denkt dat rust willen hetzelfde is als hem kwijt willen.