Na veertig jaar vriendschap paste onze gezelligheid ineens niet meer in hun nieuwe leven
Vorige week heb ik onze vaste reservering bij De Oude Markt geannuleerd. De eerste donderdag van november, ieder jaar hetzelfde. Een tafel bij het raam, Pieter die al vóór het hoofdgerecht zei dat hij eigenlijk geen toetje nodig had en er vervolgens toch twee lepels van Maaikes crème brûlée mee opat. Het voelde belachelijk zwaar, zo’n telefoontje van nog geen minuut.
We kennen Pieter en Maaike sinds 1983. Ellen werkte toen bij de bibliotheek in Amersfoort en ik bij de gemeente, nog op een kamer met drie man en een asbak die nooit leeg was. Pieter kwam bij mij op kantoor omdat er gedoe was met een bouwvergunning voor hun eerste huis. Hij wist niet hoe hij formulieren moest invullen en deed alsof het hem allemaal niets kon schelen. Maaike en Ellen raakten aan de praat, eerst over boeken, later over van alles.
Daarna ging het vanzelf. We hebben samen in een te kleine caravan in Frankrijk gezeten, met vier volwassenen die deden alsof één gaspit en een lekkende koelbox bij de charme hoorden. We vierden oud en nieuw bij elkaar. Toen mijn vader stierf, stond Pieter op een dinsdagavond met een pan nasi voor de deur omdat Ellen en ik die dag nog niets hadden gegeten. Toen Maaike borstkanker kreeg, reed Ellen mee naar haar eerste bestralingen als Pieter naar zijn werk moest.
Het waren nooit mensen die iedere dag over de vloer kwamen. Daar hielden we allemaal niet van. Maar als er iets was, dan waren we er. Dat dacht ik tenminste.
Pieter ging twee jaar geleden met pensioen bij de technische dienst van het ziekenhuis. Maaike stopte vorig voorjaar als teamleider in de thuiszorg. In het begin vonden ze het lastig. Pieter stuurde foto’s van zijn opgeruimde schuur en vroeg drie keer of ik ook niet eens iets met mijn pensioen wilde gaan doen. Ik werk nog twee dagen per week bij een administratiekantoor, vooral omdat ik het prettig vind om ergens verwacht te worden.
Toen kwamen de e-bikes, al snel gevolgd door elektrische mountainbikes. Daarna wandelweekenden met een groep die zij via een sportschool hadden leren kennen. Maaike ging ademwerk doen, wat dat ook precies inhoudt. Pieter stuurde foto’s van zichzelf na een ijsbad, met rode schouders en een brede grijns. Ik vond het eerlijk gezegd vooral koud om naar te kijken.
Ellen reageerde aanvankelijk enthousiast. Zij heeft altijd graag gewandeld. Maar ze heeft sinds anderhalf jaar veel last van haar heup en ze slaapt slecht. Niet elke nacht, maar vaak genoeg. Soms zegt ze dat haar hoofd dan voelt alsof er watten in zitten. De huisarts heeft het over slijtage, spanning en rustig opbouwen. Dat soort woorden waar je niet veel mee kunt, behalve dat je ze onthoudt.
In juni gingen we met z’n vieren naar de Veluwe. Pieter had een route uitgezocht van zestien kilometer. ‘Rustig tempo,’ zei hij vooraf.
Na zeven kilometer zag ik Ellen anders lopen. Niet dramatisch, gewoon stiller. Ze hield haar armen stijver langs haar lichaam en bleef bij een bankje staan alsof ze naar een vogel keek.
Maaike zei: ‘Zullen we door? Anders koelen we helemaal af.’
Ik zei dat Ellen even moest zitten.
Pieter keek op zijn horloge. Niet eens onvriendelijk, meer automatisch. ‘We kunnen ook een kortere lus nemen, maar dan mis je wel het mooiste stuk.’
Ellen zei dat het wel ging. Dat zegt ze altijd als het niet gaat.
Uiteindelijk hebben we die korte lus genomen. In het pannenkoekenhuis daarna vertelde Maaike uitgebreid over een retraite in Drenthe waar ze in stilte hadden gegeten. Ellen prikte in haar appelcompote en zei bijna niets. Op de terugweg in de auto begon ze pas te huilen, heel zacht. Niet omdat haar heup pijn deed, zei ze. Maar omdat ze zich een last voelde.
Ik heb dat toen weggewuifd. Niet tegen haar, maar in mijn hoofd. Pieter en Maaike moesten gewoon nog wennen aan het feit dat niet iedereen dezelfde energie heeft, dacht ik. Ze bedoelden het goed. Ze waren eindelijk vrij en wilden alles eruit halen. Dat kan ik ze toch moeilijk kwalijk nemen.
In augustus nodigden we hen uit om bij ons te komen eten. Gewoon, zonder aanleiding. Ellen had stoofperen gemaakt, terwijl het eigenlijk te warm was voor stoofperen. Dat is typisch Ellen: als iets haar onzeker maakt, gaat ze koken alsof er zes mensen komen.
Pieter zei al bij de koffie dat ze iets wilden bespreken. Maaike knikte erbij, een beetje te opgewekt.
Ze vertelden dat ze bewuster met hun tijd wilden omgaan. Minder ‘automatische afspraken’, meer dingen waar ze energie van kregen. Pieter gebruikte echt dat woord: automatische afspraken.
‘We merken dat die lange avonden eten en terugkijken ons een beetje vasthouden,’ zei Maaike. ‘Niet verkeerd bedoeld. Maar we willen juist vooruit.’
Ik dacht eerst dat ze bedoelden dat we minder vaak moesten afspreken. Daar had ik nog begrip voor gehad. Maar Pieter ging verder.
‘We zouden het leuk vinden als jullie aansluiten bij wat wij nu doen. Fietsen, wandelen, misschien eens die weekendworkshop. Dan blijft het ook levendig tussen ons.’
Ellen vroeg: ‘En als wij daar niet aan mee kunnen of willen doen?’
Er viel zo’n stilte waarin je ineens de koelkast hoort aanslaan.
Maaike zei dat niemand iets móést. Maar ook dat vriendschappen veranderen en dat je eerlijk moet zijn als je niet meer dezelfde dingen deelt. Ze zei het rustig, bijna voorzichtig. Juist daardoor kwam het hard aan.
Ik reageerde verkeerd. Ik weet dat wel. Ik zei: ‘Dus die veertig jaar was blijkbaar alleen gezellig zolang we genoeg kilometers maakten?’
Pieter werd boos. Hij zei dat ik er meteen een verwijt van maakte en dat zij ook altijd voor ons klaar hadden gestaan. Dat was natuurlijk waar. Maar het ging niet alleen om die ene avond. Het ging om hoe Ellen naast me zat met haar handen om haar koffiekopje, alsof ze zich moest verantwoorden omdat haar lijf niet meer mee wilde.
Ze zijn die avond vroeger weggegaan dan normaal. De stoofperen stonden nog op tafel. Niemand wilde ze meer.
Daarna hebben we een paar oppervlakkige berichten gehad. Pieter stuurde een foto van een uitzichtpunt in Zuid-Limburg. Ik reageerde met een duimpje. Maaike vroeg een week later hoe het met Ellen ging. Ellen schreef terug dat het wisselend was. Geen van beiden vroeg door.
Ik ben ook niet trots op mijn aandeel. Ik had Pieter kunnen bellen. Hem kunnen zeggen dat ik snap dat hij niet terug wil naar eindeloze avonden waarin iedereen dezelfde verhalen vertelt. Soms waren die avonden ook eindeloos. Soms zat ik zelf naar de klok te kijken terwijl Pieter voor de vierde keer vertelde hoe hij ooit een trein in Zürich had gemist.
Maar ik mis die ruimte waarin je niet interessant hoefde te zijn. Waarin je ook gewoon kon zeggen dat je moe was, of bang, of nergens zin in had, zonder dat iemand daar meteen een project van maakte.
Ellen zegt dat ik het moet laten rusten. ‘Ze willen iets anders, Jos. Dat mag toch?’
Dat mag. Alleen voelt het niet als zomaar iets anders. Het voelt alsof we een taal spraken die zij niet meer willen verstaan.
Gisteren kreeg ik een bericht van Pieter. Of ik zondag mee wil fietsen, een rondje van vijftig kilometer langs de Lek. Hij schreef erbij dat we rustig aan kunnen doen.
Ik heb nog niet geantwoord. Ellen zit vanmiddag bij haar zus en ik moet boodschappen doen. Er is koffie op, en kattenvoer. Daarna ga ik waarschijnlijk toch even langs De Oude Markt lopen, al weet ik niet waarom. De reservering staat al uit het systeem. Misschien is dat juist het vervelende: voor een restaurant is een lege tafel gewoon een lege tafel.