Mijn zoon wilde in onze tuin herstellen, maar begon haar te veranderen
Vorige week vond ik drie kleine bordjes met ‘niet maaien’ in mijn achtertuin.
Ze stonden tussen de oude perenboom en het pad naar de kas, scheef in de grond gedrukt. Ernaast had iemand een cirkel van gras met paardenbloemen laten staan. Alsof ik per ongeluk een stukje tuin over het hoofd had gezien.
Ik wist natuurlijk meteen wie het gedaan had.
Mijn man Kees zat binnen aan de keukentafel zijn krant te lezen, met zijn leesbril op het puntje van zijn neus. Ik heb de achterdeur wat harder dichtgedaan dan nodig was. Hij keek op en zei alleen: “Nou?”
“Hij is alweer bezig geweest.”
Kees zuchtte nog voor ik uitlegde wat ik bedoelde. “Marjan, het zijn bordjes. Geen bulldozers.”
Dat is precies hoe het de laatste maanden gaat. Alsof ik hysterisch doe over een paar bordjes, een hoop bladeren, een struik die gesnoeid had moeten worden. Maar die tuin is niet zomaar een tuin voor mij. Dat klinkt misschien overdreven, maar ik ben 67, ik heb daar bijna twintig jaar aan gewerkt, en ik weet van elke hoek wat er gebeurt in april, in juli, na een week vorst.
Toen wij hier kwamen wonen, stond er achter het huis eigenlijk alleen gras. Een gammel schuurtje en een conifeer die half dood was. Kees zag vooral werk. Ik zag meteen de kas die er ooit zou kunnen staan. Niet die enorme glazen paleizen die je soms bij villa’s ziet, gewoon een degelijke aluminium kas van de bouwmarkt. Tomaten, komkommers, later ook druiven tegen de muur. We hebben fruitbomen geplant toen onze zoon Daan nog thuis woonde. Hij was toen zestien en had nergens geduld voor.
Daan hielp één keer met het planten van een pruimenboom. Hij zette hem zo diep dat ik dacht dat we hem konden begraven in plaats van planten. Daar hebben we later hard om gelachen. Hij ook.
Daan is nu 38. Hij woonde in Utrecht, werkte bij een communicatiebureau en was altijd druk. Te druk, zeiden wij weleens. Dan kwam hij op zondagmiddag, at hij mee, keek hij voortdurend op zijn telefoon en vertrok weer met de trein van kwart voor zes omdat hij maandag “vroeg een call” had. Ik begreep dat allemaal niet zo goed, maar hij redde zich. Dachten we.
In november belde hij Kees op. Niet mij, wat ik hem achteraf nog steeds een beetje kwalijk neem, al slaat dat nergens op. Kees kwam na dat telefoontje de kamer in en zei: “Met Daan gaat het niet goed.”
Burn-out. Hij sliep slecht, kreeg hartkloppingen in de supermarkt, had zich ziekgemeld en lag dagen op de bank in zijn appartement. Zijn vriendin, met wie hij nog geen jaar samenwoonde, was een paar weken eerder vertrokken. Niet met ruzie, zei hij. Juist dat vond ik verdrietig. Alsof ze allebei te moe waren geweest om nog ruzie te maken.
Hij vroeg of hij een tijd in ons bijgebouw mocht wonen. Het oude kantoor van Kees, achter de garage. Er zit een douche in, een klein keukenblok en sinds corona ook goed internet. Hij zei eerst ‘een paar maanden’, later werd dat misschien een jaar. Hij wilde wandelen, beter slapen, vrijwilligerswerk zoeken als het weer kon. Minder schermen. Meer buiten.
Kees zei vrijwel meteen ja.
Ik niet. Niet echt.
Ik zei dat het bijgebouw koud is in de winter en dat we niet wisten hoe lang hij precies zou blijven. Allemaal praktische dingen, waar Kees doorheen prikte. Daan zat tegenover ons met beide handen om zijn theeglas heen. Hij zag er mager uit. Niet verzorgd-mager, maar alsof hij zichzelf een tijd vergeten was.
“Het hoeft niet hoor,” zei hij snel. “Ik vraag het alleen omdat ik hier altijd rustig word.”
Toen voelde ik me meteen een verschrikkelijke moeder.
Dus zei ik: “Natuurlijk kan dat.”
De eerste weken gingen eigenlijk goed. Daan sliep veel. Hij hielp Kees met een lekkende dakgoot en maakte de schuur eindelijk leeg, iets wat wij al jaren voor ons uitschoven. Hij zette koffie voor ons als wij uit de tuin kwamen. Soms liep hij met mij een rondje en dan zei hij dat hij niet wist dat er zoveel verschillende vogels in onze tuin kwamen.
Ik begon te denken dat ik me druk had gemaakt om niks.
Tot hij op een middag vroeg waarom ik de brandnetels bij de composthoop altijd weghaalde.
“Omdat het brandnetels zijn,” zei ik.
Hij lachte een beetje. “Ja, maar daar zitten vlinders en rupsen op. En insecten. Misschien kunnen we daar een hoek van laten verwilderen.”
Ik zei dat hij dat vooral in zijn eigen stukje bij het bijgebouw mocht proberen. Dat leek me redelijk. Achter de garage ligt een strook waar vroeger een zandbak stond. Niet mooi, maar prima voor zijn wilde plannen.
Hij knikte, maar een paar dagen later had hij zonder iets te zeggen de lage haag langs het terras deels weggehaald. Niet helemaal, gelukkig, maar wel precies het stuk waar ik ieder voorjaar de blauwe druifjes tussen had staan. Hij had er inheemse bloemenmengsels gezaaid. Hij zei dat de haag veel te strak was en dat er bijna niks leefde.
“Er leeft genoeg,” zei ik. “Ik leef er bijvoorbeeld heel prettig naast.”
Dat was flauw. Dat weet ik. Maar ik was zo kwaad dat mijn handen trilden. Ik heb die avond niet gegeten. Kees werd boos op mij omdat ik “alsof Daan een misdaad had gepleegd” deed. Daan zei bijna niets en ging vroeg naar het bijgebouw.
De dag erna vond ik hem daar buiten, zittend op een omgekeerde emmer. Hij had zijn jas aan, hoewel het niet koud was. Ik zei dat hij niet zomaar dingen uit mijn tuin moest weghalen.
Hij knikte meteen. “Dat had ik moeten vragen.”
Ik wachtte op een ‘maar’. Die kwam ook.
“Maar mam, je zei toch dat ik hier mocht herstellen? Ik probeer iets te doen waar mijn hoofd rustiger van wordt. Niet alles hoeft zo netjes.”
Toen zei ik iets wat ik meteen terug wilde nemen: “Jouw herstel betekent niet dat ik mijn tuin moet kwijtraken.”
Hij keek niet boos. Eerder gekwetst, en dat maakte het erger. Hij zei: “Ik wil hem niet afpakken.”
Kees vond dat we er met z’n drieën over moesten praten. Hij had zelfs een vel ruitjespapier gepakt, alsof we een verbouwing gingen plannen. Op de ene helft mocht ik aangeven welke stukken voor mij niet onderhandelbaar waren: de kas, de border langs het huis, de rozen, de fruitbomen, het terras en het grasveldje waar Kees altijd met de kleinkinderen van zijn broer voetbalt als ze er zijn.
Daan wilde een grotere strook dan ik verwacht had. Niet alleen bij het bijgebouw, maar ook langs de slootkant en onder de appelbomen. Hij had foto’s op zijn telefoon van voedselbossen en bijentuinen. Ik moet eerlijk zeggen: sommige waren prachtig. Maar op zijn foto’s stond nooit onze tuin. Nooit mijn klimrozen die eindelijk goed aanslaan of de bessenstruiken die ik elk jaar met netten bescherm tegen merels.
We zijn er niet uitgekomen.
Daan woont nog steeds in de stad. Zijn spullen staan wel bij ons, omdat hij zijn huur heeft opgezegd en tijdelijk bij een vriend slaapt. Dat is misschien nog het pijnlijkste: hij is nergens echt thuis op dit moment, en ik ben degene die moeilijk doet over een haag.
Vanmorgen heb ik de bordjes laten staan. Ik heb alleen eentje rechtgezet, omdat ik dat scheve niet kon aanzien.
Kees zei dat Daan zondag komt om verder te praten. Ik heb alvast koffie gehaald en een appeltaart uit de vriezer gelegd. De appels zijn van vorig jaar, van onze eigen boom. Ik weet nog niet of dat een goed teken is of gewoon iets wat je doet als je niet weet wat je anders moet doen.