Ik heb onze weekenden teruggepakt, en nu voelen onze beste vrienden zich door mij in de steek gelaten
Ik heb afgelopen zaterdag mijn telefoon op stil gezet. Niet omdat ik boos was, maar omdat ik al bij het wakker worden voelde dat ik het niet nog een keer kon opbrengen om naar het geluidje van Marianne te luisteren en meteen te denken: wat is er nu weer?
Dat klinkt hard, zeker als ik vertel dat haar man Koos kanker heeft. Uitgezaaide alvleesklierkanker. Sinds januari weten ze dat er geen genezing meer mogelijk is, alleen tijd rekken en klachten verminderen. Koos is 67. Wij zijn allebei 64. Marianne en hij horen al ruim dertig jaar bij ons leven.
Vroeger ging het vanzelf. Henk en Koos voetbalden jarenlang bij dezelfde amateurclub, eerst zelf en later als mannen die te lang in de kantine bleven hangen. Marianne en ik leerden elkaar kennen bij een barbecue waar niemand echt zin in had. Daarna kwamen de wandelvakanties, de jaarlijkse kerstmarkt in Duitsland, etentjes op vrijdag. Niet elke week, maar altijd vertrouwd. Als wij iets te vieren hadden, waren zij er. Toen mijn moeder naar een verzorgingshuis moest, heeft Marianne drie dagen achter elkaar mee dozen ingepakt zonder dat ik het hoefde te vragen.
Ik wil niet doen alsof zij vroeger nooit iets voor ons gedaan hebben. Dat hebben ze wel.
Maar sinds Koos ziek is, zijn wij er bijna voortdurend. Eerst vond ik dat vanzelfsprekend. Henk reed hem naar het ziekenhuis als Marianne moest werken. Ik kookte extra en zette bakjes stamppot en soep bij hen in de vriezer. We gingen mee toen ze het slechte gesprek met de oncoloog kregen, omdat hun dochter in Zwolle woont en pas later kon komen.
Daarna werd het steeds minder overzichtelijk. Marianne belde over haar DigiD omdat ze iets in MijnCAZ moest regelen. Ze belde omdat Koos niet wilde eten. Omdat de thuiszorg een ander tijdstip had. Omdat haar zoon zei dat ze misschien meer hulp moest aanvragen en zij daar kwaad van werd. Soms belde ze alleen maar en zei ze eerst niets. Dan hoorde ik haar ademhalen en op de achtergrond de televisie te hard staan.
Ik nam altijd op.
Henk ook. Alleen Henk kan daar beter tegen, of hij laat minder merken dat het hem raakt. Hij is met pensioen sinds vorig jaar, na veertig jaar bij de gemeente. Hij zegt vaak: ‘Wat moeten we anders doen dan helpen? We zitten toch niet meer met kleine kinderen en banen tot zes uur.’
Daar zit ook iets waars in. Wij hébben tijd. Of in elk geval meer tijd dan vroeger.
Maar tijd is niet hetzelfde als beschikbaarheid. Dat probeerde ik hem uit te leggen, en daar ging het mis tussen ons.
In maart hadden we een weekendje naar Texel geboekt. Niet luxe, gewoon een huisje in De Koog, fietsen mee, twee nachten. Dat hadden we al voor de diagnose gedaan. Op de vrijdag dat we zouden vertrekken, belde Marianne om half acht. Koos had de hele nacht pijn gehad en de huisarts zou terugbellen. Ze wilde niet alleen zijn.
Henk keek me aan terwijl ik aan de telefoon stond. Ik zei tegen Marianne dat we eraan kwamen.
We zijn niet naar Texel gegaan. Ik heb het huisje nog geprobeerd te annuleren vanuit hun keuken, met mijn jas aan en een tas met onderbroeken naast me op de grond. Het kon niet meer kosteloos. Uiteindelijk zijn we die middag pas naar huis gegaan omdat de huisarts had geregeld dat de wijkverpleging langs zou komen en Koos andere pijnmedicatie kreeg.
Marianne zei meerdere keren dat we echt moesten gaan, maar ze hield mijn hand vast toen ze dat zei. Ik weet nog dat ik daar vooral moe van werd. Meteen daarna schaamde ik me daar zo voor dat ik er niets over durfde te zeggen.
Vanaf dat moment gebeurde het vaker. Een lunch met mijn zus afgezegd. Een middag naar de sauna die ik al maanden wilde. Henk die op zondag bij hen een lamp ging ophangen omdat Koos niet meer op een trapje kon. Ik die vervolgens bleef om de was op te vouwen, want Marianne had het ‘zo druk in haar hoofd’.
Ze vroeg het niet altijd letterlijk. Dat maakt het ingewikkeld. Ze zei dingen als: ‘Ik weet niet hoe ik dit morgen moet doen.’ Of: ‘Ach, laat maar, ik red me wel.’ Dan wist ik dat ik eigenlijk verwacht werd.
En meestal ging ik.
Een paar weken geleden hadden Henk en ik ruzie, echt ruzie. Niet zo’n kort gemopper over de vaatwasser, maar twee dagen nauwelijks tegen elkaar praten. Ik had gezegd dat ik de komende twee weekenden nergens heen wilde. Geen ziekenhuis, geen boodschappen voor Marianne, geen koffie “om even bij te praten”. Ik wilde uitslapen, in de tuin rommelen en misschien naar mijn zus in Amersfoort. Gewoon dingen doen zonder dat ik eerst hoefde te bedenken wie er anders alleen zat.
Henk zei: ‘Dus nu Koos achteruitgaat, ga jij op slot?’
Dat kwam hard aan. Ik zei dat ik al maanden op slot zat, juist omdat er nooit meer een moment was dat ik niet alert hoefde te zijn. Dat ik soms naar de supermarkt ga en hoop dat Marianne niet belt voordat ik weer thuis ben. Dat ik haar naam op mijn scherm zie en eerst een steek in mijn buik voel, terwijl ik van haar houd.
Hij zei dat ik het over mezelf maakte.
Misschien deed ik dat ook. Ik weet het eerlijk gezegd niet meer zo scherp. Ik weet alleen dat ik die avond in de logeerkamer heb geslapen, met de verwarming te hoog omdat ik niet wist hoe die thermostaat daar werkte.
Vorige zaterdag was het eerste weekend dat ik echt had gereserveerd. Henk ging zaterdagochtend wel even naar Koos, want die wilde een paar oude fotoalbums bekijken. Dat vond ik prima. Ik ben naar de markt gefietst, heb tulpen gekocht en daarna koffie gedronken met mijn zus. Voor het eerst in lange tijd voelde ik me niet schuldig terwijl ik ergens zat.
Tot ik thuis kwam en een bericht van Marianne zag. Om tien uur had ze geschreven: ‘Koos is heel benauwd en raakt in paniek. Henk neemt niet op. Kun jij alsjeblieft komen?’
Om kwart over tien: ‘De huisartsenpost is gebeld.’
Om half twaalf: ‘Het is nu rustig. Laat maar.’
Henk bleek zijn telefoon in de schuur te hebben laten liggen. Koos hoefde niet naar het ziekenhuis, maar er was wel een verpleegkundige gekomen. Marianne had daarna haar dochter gebeld.
Ik heb haar pas rond drie uur teruggebeld. Ze klonk uitgeput, maar ook afstandelijk. Ze zei: ‘Ik snap wel dat jullie ook een leven hebben.’ Op zo’n toon dat je hoort dat ze het niet snapt. Of misschien wél, en dat maakt het juist pijnlijk.
Sindsdien is het stil. Henk gaat nog steeds vaak langs, maar hij zegt dat Marianne kortaf doet. Gisteren vroeg hij of ik haar niet gewoon even bloemen wil brengen. Alsof bloemen het probleem zijn.
Ik ga waarschijnlijk wel. Niet vandaag. Misschien donderdag, als ik eerst naar de kapper ben geweest. Ik merk dat ik al uitleg aan het verzinnen ben waarom dat mag.
Koos gaat niet beter worden. Dat hangt boven alles. Ik weet dat iedere ruzie over tijd en weekenden daardoor klein en lelijk kan lijken. Tegelijk ben ik bang dat ik, als ik zo doorga, op een dag bij Marianne aan tafel zit en niets meer voel behalve de wens om weg te gaan.
En dat zou voor niemand eerlijk zijn, ook niet voor haar.