Mijn man wil onze jaarlijkse Frankrijk-vakantie ineens goedkoper maken, en nu ligt onze hele vriendengroep open

Ik merkte het aan de stilte aan tafel, nog vóórdat Karel zei dat hij misschien niet meeging naar Frankrijk dit jaar. Hij zat met zijn telefoon in zijn hand, maar hij keek er niet naar. De boodschappen lagen nog half op het aanrecht. Prei, yoghurt, een zakje borrelnootjes voor vrijdag. Heel gewone dingen.

Wij gaan al sinds 1997 met dezelfde club weg. Eerst waren we met z’n zessen, later met z’n achten toen Jeroen en Saskia erbij kwamen. Ieder jaar een week, soms tien dagen, in Frankrijk. Niet altijd dezelfde streek, maar wel ongeveer hetzelfde soort huis: zwembad, voldoende badkamers, een fatsoenlijke buitenkeuken, goede bedden. De laatste jaren zitten we meestal in de Luberon. Dat is duur, ja. Vooral in september, als iedereen zonder kinderen kan en het nog warm is.

We boeken vroeg en we delen alles eerlijk. Huis, boodschappen, wijn, tol, soms een kookpot voor degene die steeds staat te koken. Niemand houdt een boekhouding bij van een extra fles rosé, maar de grote kosten gaan gewoon per stel. Dat is altijd de kracht geweest. Geen gedoe, niemand die de ander trekt of betaalt. We kennen elkaars kinderen, scheidingen, ontslagen, ziektes. We hebben er begrafenissen na besproken en jubilea gevierd.

Voor mij is die week ook meer dan een vakantie geworden. Ik heb jarenlang in de thuiszorg gewerkt. Karel had een eigen installatiebedrijf, met personeel en avonden waarop hij nog offertes zat te maken aan de keukentafel. We hadden het niet breed toen de kinderen klein waren. Niet zielig, maar wel altijd rekenen. Die week in Frankrijk was iets waar we naartoe leefden.

Sinds Karel vorig jaar zijn bedrijf heeft verkocht, is er iets veranderd. Hij zegt dat hij eindelijk ruimte in zijn hoofd heeft. Dat geloof ik ook. Hij is rustiger geworden op sommige punten. Maar hij is ook, hoe zeg ik dat zonder gemeen te klinken, kritisch gaan kijken naar dingen die hij vroeger zelf prima vond.

Hij leest van alles over consuminderen en vliegen, terwijl we al jaren met twee auto’s rijden omdat er altijd wel iemand te veel bagage heeft. Hij koopt groente bij een boerderijwinkel buiten het dorp en moppert als ik aardbeien uit Spanje meeneem. Dat mag hij allemaal zelf weten. Soms vind ik het zelfs leuk. Alleen het is alsof hij nu terugkijkt op ons oude leven en daar een beetje minachting voor heeft gekregen.

In januari stuurde Marjan de eerste optie in onze WhatsApp-groep. Een gerestaureerde mas vlak bij Gordes. Vier slaapkamers, zwembad, uitzicht op olijfbomen. Niet goedkoop. Iets meer dan vorig jaar zelfs. Er kwamen meteen foto’s, hartjes en berichten als: ‘O, wat prachtig’ en ‘Hier word ik al rustig van.’

Karel stuurde niets.

Die avond zei hij: ‘Weet je wat ik hier zo raar aan vind? We doen alsof we niet gelukkig kunnen zijn als er geen zwembad en uitzicht bij zit.’

Ik dacht eerst dat hij een grap maakte. Karel kan droog uit de hoek komen.

Maar hij ging door. Hij had gekeken naar een gîte in de Morvan. Veel goedkoper, kleiner, eenvoudiger. Geen zwembad, wel een bos erachter en een beekje. ‘Dan kunnen we ook gewoon in een dorp eten en wandelen. In plaats van de hele dag bespreken welke wijn bij de eend past.’

Ik werd meteen boos, en achteraf vind ik dat ik hem niet eens goed heb laten uitpraten. Ik zei dat hij deed alsof wij allemaal verwende idioten waren. Hij zei dat ik woorden in zijn mond legde. Dat klopt waarschijnlijk. Maar ik hoorde vooral dat wat voor mij ontspanning is, voor hem blijkbaar iets beschamends was geworden.

Hij zette zijn voorstel toch in de groep. Heel netjes geformuleerd, dat wel. Of we misschien eens konden nadenken over een andere invulling. Minder luxe, lagere kosten, dichter bij de natuur. Hij schreef zelfs dat hij het juist gezellig vond als we meer samen zouden koken en minder ‘consumeren’.

De reacties kwamen druppelsgewijs. Dat maakte het erger.

Bas vond het een goed idee. Hij is sinds zijn pensioen helemaal van de camper en de volkstuin. Zijn vrouw Els schreef dat zij ‘best openstond voor een eenvoudiger huis, zolang er maar een goed matras was’. Jeroen reageerde met een duimpje, wat bij hem werkelijk alles kan betekenen. Saskia zei dat ze juist wel graag een zwembad wilde, omdat zij het hele jaar op haar kleinkinderen past en niet in een beekje ging zitten pootjebaden.

Marjan belde me apart. Ze zei: ‘Ik snap Karel ergens wel, maar ik heb geen zin om me schuldig te voelen omdat ik een lekker huis wil.’

Dat was precies hoe ik me voelde, alleen zei zij het harder.

Op een vrijdagavond hebben we met z’n allen bij Jeroen en Saskia gegeten om het erover te hebben. Ik zag er de hele week tegenop. Niet omdat ik bang ben voor ruzie; we zijn geen mensen die met deuren slaan. Juist dat nette, redelijke praten vind ik soms vermoeiender. Iedereen zegt dan dat hij beide kanten begrijpt, totdat je merkt dat er toch gekozen moet worden.

Karel had een fles natuurwijn meegenomen. Daar moest ik bijna om lachen, maar ik deed het niet.

Hij vertelde dat hij de vakantie de laatste jaren ‘een soort verplicht ritueel’ vond worden. Dat iedereen al bij het boeken bezig was met het mooiste terras, de beste markt, de restaurants waar we reserveerden. ‘Het lijkt soms alsof we elkaar moeten bewijzen dat we het goed voor elkaar hebben.’

Niemand zei direct iets. Bas knikte. Marjan keek naar haar bord.

Ik zei dat ik niet wist tegen wie hij het eigenlijk had. Wij dragen geen merkkleding om indruk te maken. We hebben geen personeel in dat huis. We huren één week een fijn huis omdat we het kunnen betalen en omdat we dat prettig vinden. Ik zei ook dat ik na veertig jaar werken niet nog eens op een doorgezakte bank wilde slapen om principieel te doen.

Dat laatste was flauw, want de gîte die hij had gevonden zag er heus niet vreselijk uit. Maar ik voelde me aangevallen. Alsof mijn behoefte aan comfort een karakterfout was.

Karel werd rood in zijn gezicht. Hij zei: ‘Zie je nou wel? Het mag niet eens besproken worden zonder dat je me wegzet als iemand die jullie iets af wil pakken.’

Toen zei Saskia, heel zacht eigenlijk, dat zij Karel niet wilde wegzetten, maar dat ze ook niet wilde dat de vakantie een debat werd over wie er moreel het beste bezig was. Daar werd het pas echt ongemakkelijk van. Want dat was natuurlijk precies wat er al gebeurde.

Uiteindelijk wilde niemand de oorspronkelijke boeking helemaal laten schieten. De aanbetaling moest binnen twee dagen gedaan worden. Bas en Els stemden voor de Morvan, wij vier anderen voor de mas. Jeroen zei dat hij het liefst niet hoefde te stemmen, maar hij koos toch voor de mas omdat Saskia daar duidelijk blijer van werd.

Karel zei toen: ‘Dan ga ik niet mee.’

Hij zei het niet hard. Hij stond zelfs op om glazen bij te vullen terwijl hij het zei. Maar de kamer werd er koud van.

Marjan vroeg of hij dat echt meende. Hij haalde zijn schouders op en zei dat hij geen zin had om een week te doen alsof hij het geweldig vond. Daarna begon Jeroen over de olijven die op tafel stonden, zo’n reddingspoging waar niemand iets aan had.

Thuis hebben Karel en ik nauwelijks gepraat. De volgende ochtend maakte hij koffie voor mij zoals altijd, met een klein scheutje warme melk erbij. Ik heb hem bedankt, wat belachelijk formeel klonk in onze eigen keuken.

De mas is inmiddels geboekt. Karel heeft zijn deel niet overgemaakt. De anderen hebben dat voorlopig opgevangen, wat ik ook verschrikkelijk vind. Ik heb aangeboden zijn deel zelf te betalen, maar Karel wil dat niet. ‘Dan wordt het jouw vakantie met jouw vrienden,’ zei hij.

Dat deed pijn, juist omdat die mensen ook zijn vrienden zijn. Of waren. Ik weet niet hoe je dat na bijna dertig jaar noemt als een discussie over een zwembad ineens zoveel blootlegt.

Vorige week stuurde Bas een berichtje dat hij met Karel wil gaan fietsen, gewoon een rondje langs de Vecht. Karel reageerde pas de volgende dag met ‘is goed’. In de groepsapp is het stil. Marjan stuurt af en toe een link naar een restaurantje in de buurt van het huis, maar niemand reageert enthousiast zoals anders.

Ik heb mijn linnen zomerbroek al uit de kast gehaald. Hij hangt over een stoel in de logeerkamer, nog ongestreken. Soms denk ik dat Karel alsnog meegaat. Soms hoop ik bijna dat hij niet meegaat, omdat ik niet weet hoe ik een hele week naast hem moet zitten terwijl hij zich aan alles ergert.

En daarna schaam ik me weer dat ik dat denk.