Na veertig jaar voelde onze vriendengroep ineens als een plek waar ik me moest verdedigen
Vorige maand stond ik bij de glasbak met een doos kristallen wijnglazen die we bijna nooit gebruikten. Twaalf stuks, cadeau gekregen toen we vijfentwintig jaar getrouwd waren. Ik weet nog dat Marijke ze voorzichtig één voor één in oude handdoeken had gewikkeld.
“Niet weggooien hè,” zei ze. “Ze kunnen naar de kringloop.”
Ik zei dat natuurlijk niet de bedoeling was. Toch voelde het alsof ik iets weggooide wat meer was dan glas. Niet eens die glazen zelf, maar het soort leven waarin je ze bewaart voor een avond die blijkbaar nooit bijzonder genoeg is.
Marijke en ik zijn allebei 67. We wonen nog steeds in hetzelfde rijtjeshuis in Amersfoort waar onze kinderen zijn opgegroeid. De slaapkamers boven zijn al jaren logeerkamers met kasten vol spullen die niemand mist, behalve als je vraagt of het weg mag. Onze zoon Daan woont in Utrecht, onze dochter Lotte in Zwolle. Zij vinden onze opruimwoede vooral grappig. Daan noemt ons weleens ‘de Zweedse versie van zichzelf’, wat ik niet helemaal snap, maar goed.
Het begon eigenlijk na mijn pensionering. Ik werkte veertig jaar bij een installatiebedrijf, eerst buiten, later op kantoor. Ineens had ik tijd om te zien hoeveel rommel we hadden verzameld. Een vitrinekast, drie serviezen, een barbecue die te groot was voor ons terras, koffers die versleten waren maar “nog prima konden”. Marijke had er eerst minder last van dan ik. Zij vond het juist gezellig, al die spullen met een verhaal.
Maar toen haar zus overleed en we haar appartement moesten leeghalen, sloeg dat om. Haar zus was nooit getrouwd, geen kinderen. We stonden met z’n drieën tussen dozen vol kaarsen, tijdschriften uit 2009 en pannen zonder deksel. Daar werd Marijke heel stil van.
Een paar maanden later begonnen we echt. Eerst Marktplaats, toen de kringloop, kledingzakken naar het Leger des Heils. We verkochten onze tweede auto. We zegden een paar abonnementen op. We gingen minder vaak uit eten en begonnen groenten te verbouwen in de volkstuin van een kennis, al mag ik eerlijk zeggen dat onze courgettes beter lukken dan al het andere.
Het gaf lucht. Dat meen ik. Minder onderhoud, minder gedoe, minder het gevoel dat je altijd iets moest kopen omdat iemand anders het ook had. Ik sliep beter. Marijke ook, denk ik. Ze ging weer tekenen, iets wat ze vroeger op de pabo deed en daarna eigenlijk nooit meer.
Alleen hadden we niet door dat we er zo over praatten dat andere mensen zich aangevallen zouden voelen.
We hebben een vaste vriendengroep sinds begin jaren tachtig: Henk en Carla, Ruud en Yvonne, Peter en Els, en wij. We leerden elkaar kennen via de voetbal en de zwangerschapsgym van de vrouwen. Eerst waren het verjaardagen met kinderen die door de woonkamer renden. Later weekendjes Texel, etentjes, oud en nieuw. De laatste vijftien jaar doen we elke maand iets vasts. In de winter eten bij iemand thuis, in de zomer vaak op een terras of bij een restaurant. Met kerst reserveren we meestal bij De Oude Munt, zo’n plek waar je voor het nagerecht al te vol zit maar toch nog iets neemt.
Ik heb altijd gedacht dat we heel verschillend waren, maar op een prettige manier. Henk is van de mooie auto’s. Ruud koopt alles wat nieuw uitkomt, van espressomachines tot elektrische fietsen. Carla heeft een huis waar zelfs de wc-gastendoekjes bij het seizoen passen. Wij plaagden elkaar daar vroeger om. Dat was juist de lol.
Maar sinds wij veranderden, leek plagen ineens iets anders te betekenen.
Bij Ruud en Yvonne thuis zag ik een nieuwe televisie hangen. Zo groot dat ik even dacht dat er een zwart raam in de muur zat. Ruud vertelde er trots over, met allerlei technische termen die ik meteen weer vergat. Ik zei: “Joh, wij zijn juist blij dat we van dat ding af zijn. Scheelt een hoop onrust in je hoofd.”
Het werd stil. Niet lang, misschien drie seconden. Maar ik voelde het.
Yvonne zei toen: “Nou, wij worden er eigenlijk best rustig van. Beetje film kijken ’s avonds.”
Ik had gewoon kunnen zeggen dat het een prachtig ding was. Want dat was het ook, vermoedelijk. In plaats daarvan begon ik over reclame en prikkels en hoe je steeds meer wilt als je veel naar dat soort dingen kijkt. Marijke keek naar haar bord. Op weg naar huis zei ze: “Je klonk een beetje alsof Ruud niet goed bij zijn hoofd is.”
Dat vond ik overdreven. Nu niet meer helemaal.
Het gedoe met de diners kwam daarna. Voor dit voorjaar had Peter een restaurant geregeld in Bunnik. Vijf gangen, wijnarrangement mogelijk, iets voor een jubileum van de zaak. Niet goedkoop, maar we doen dat soort dingen al jaren. Marijke zei in de groepsapp dat het haar leuker leek om bij ons te eten, met groenten uit de tuin en dat iedereen iets simpels meeneemt.
Ze schreef erbij: “Misschien ook wel goed om niet altijd van alles te consumeren om het gezellig te hebben.”
Ik zag haar bericht pas een uur later. Er stonden drie duimpjes onder, van mensen die waarschijnlijk niet wisten wat ze anders moesten doen. Daarna kwam er niets.
Twee dagen later belde Carla. Niet om ruzie te maken, dat is Carla niet. Ze praatte snel, zoals altijd als ze iets vervelend vindt.
Ze zei dat ze best een potluck wilde doen, maar dat het haar stoorde dat het leek alsof wij vonden dat zij oppervlakkig waren omdat zij nog graag uit eten gingen. “Wij werken ook gewoon hard voor ons geld, Bas. En we hoeven ons toch niet schuldig te voelen omdat we een keer een mooie avond willen?”
Ik zei dat dat helemaal niet zo bedoeld was. Dat was ook zo, tenminste, niet bewust. Maar ik hoorde mezelf daarna zeggen dat het misschien goed was als iedereen eens nadacht over wat hij werkelijk nodig had. Op dat moment wist ik al dat ik het erger maakte.
De avond bij ons ging uiteindelijk toch door. Iedereen nam iets mee. Wij maakten soep van pompoen en brood, Peter had een schaal tapas gehaald, wat volgens Marijke al niet echt bij het idee paste. Ruud nam een fles Barolo mee en zei lachend dat hij die dan maar thuis zou opdrinken als wijn ook niet meer mocht.
Niemand lachte echt.
Later, toen de mannen buiten stonden omdat Henk per se nog wilde roken, zei Peter dat hij het miste dat dingen gewoon leuk mochten zijn. Hij zei het rustig, bijna verontschuldigend.
“Bas, we zijn altijd vrienden geweest omdat we dingen samen deden. Eten, reizen, elkaar een beetje verwennen. Als dat ineens allemaal verkeerd is, wat delen we dan nog?”
Ik werd boos. Niet schreeuwen, maar zo’n koude boosheid waarbij je meteen heel duidelijk gaat praten. Ik zei dat vriendschap toch niet afhankelijk kon zijn van een restaurantrekening. Peter zei dat hij dat ook niet beweerde. Hij zei dat wij sinds een jaar bij elke bijeenkomst uitlegden waarom de rest het verkeerd aanpakte.
Daar had ik geen antwoord op. Ik zei wel iets, dat weet ik. Iets over dat echte vrienden elkaar juist een spiegel voorhouden. Het klonk vreselijk zodra ik het uitsprak.
Sindsdien is de groepsapp bijna stil. De reservering in Bunnik is geannuleerd. Henk stuurde vorige week een foto van zijn nieuwe auto, waarschijnlijk als grap, maar niemand reageerde. Marijke wil de groep uitnodigen om het uit te praten. Ik wil dat ook, maar ik ben bang dat het gesprek vooral neerkomt op: doe weer normaal, dan kunnen we verder.
En misschien is dat terecht. We hoeven niet iedere keer over spullen te beginnen. We kunnen bij iemand eten zonder te tellen hoeveel gangen er zijn. Maar ik wil ook niet terug naar dat oude gevoel dat je maar blijft kopen omdat iedereen dat nu eenmaal doet.
Vanmiddag heeft Marijke de kristallen glazen toch uit de doos gehaald. Zes daarvan staan nu in de keuken, gewassen en wel. Ze zei dat we ze kunnen gebruiken als iedereen komende maand komt, als ze überhaupt komen.
Ik heb niet gezegd dat ze misschien gelijk heeft. Ik heb alleen de koffie gezet en gevraagd of ze nog melk wilde.