Na veertig jaar voelt ons maandelijkse etentje ineens alsof we worden uitgenodigd op iemands feestje
Vorige maand zat ik in een restaurant in Amsterdam-Zuid waar ik normaal gesproken alleen langs zou lopen. Hoge ramen, dikke stoffen servetten, een ober die mijn jas aannam voordat ik zelf goed wist waar ik hem moest laten. Op de kaart stond iets met tarbot en beurre blanc, zonder prijs erachter bij de specials.
Ik keek naar mijn man Henk. Hij zat er ontspannen bij, alsof we hier iedere vrijdag kwamen. Hij had al een glas champagne in zijn hand en zei tegen mij dat ik ook eens iets feestelijks moest nemen.
Aan de andere kant van de tafel zat Arie. Hij had gereserveerd. Natuurlijk had hij dat. Sinds een jaar doet Arie eigenlijk alles rond onze maandelijkse etentjes.
Wij kennen elkaar al vanaf eind jaren zeventig. Henk en ik woonden toen net in Amersfoort, in een huurhuis met enkel glas en een piepklein keukentje. Arie en zijn vrouw Marjan woonden twee straten verderop. Later kwamen Kees en Lidy erbij, en Ton en Els. Eerst aten we om de beurt bij elkaar thuis. Pannen macaroni, saté van de slager, een schaal huzarensalade als iemand jarig was. Toen de kinderen groter werden, gingen we één keer per maand ergens eten. Meestal een eetcafé, soms een Chinees, vroeger ook wel de Griek bij het station.
Iedereen betaalde zijn eigen deel. Als iemand krap zat, werd er gewoon een goedkoper tentje gekozen. Daar hoefde niemand een verhaal van te maken.
Arie heeft in januari een behoorlijke erfenis gekregen van een oom van hem. Ik weet niet hoeveel precies. Henk denkt dat het om tonnen gaat, maar Henk denkt ook altijd dat hij precies weet wat anderen verdienen. Arie vertelde alleen dat zijn oom geen kinderen had en dat er “meer vrijgekomen was dan verwacht”. Marjan zei die avond bijna niets. Ze zat aan de thee, terwijl Arie een ronde oude jenever bestelde voor de mannen.
Eerst vond ik het oprecht leuk voor hen. Arie heeft altijd hard gewerkt in zijn installatiebedrijf en Marjan heeft jaren haar moeder verzorgd. Als zoiets je overkomt, gun je iemand ook ruimte. Ze gingen een paar weken naar Portugal en Arie kocht een elektrische auto, prima toch.
Maar het maandelijkse eten veranderde sneller dan ik had gedacht.
De eerste keer was bij een bistro waar de hoofdgerechten rond de veertig euro waren. Arie pakte aan het einde zijn pasje en zei: “Laat maar, jongens. Deze is van mij.” We protesteerden een beetje, zoals je dat doet. Hij wuifde het weg. Henk vond het prachtig.
“Moet je nou eens kijken,” zei hij in de auto naar huis. “Arie heeft eindelijk geen zorgen meer. Laat die man toch iets leuks doen.”
Ik zei dat het mij niet om die rekening ging.
“Waar dan wel om?”
Ik kon het toen niet goed uitleggen. Misschien omdat Arie die avond steeds bepaalde wat er gebeurde. Hij koos de wijn, bestelde voorgerechten voor de hele tafel zonder te vragen, en lachte toen Lidy zei dat ze geen oesters lustte. “Dan leer je het vanavond,” zei hij.
Het klonk als een grap, maar Lidy at uiteindelijk alleen brood met boter terwijl de rest van ons naar die schaal met ijs en schelpen keek.
Daarna werd elk etentje duurder. Arie stuurde links in onze appgroep, vaak zonder iets erbij. Alleen: “Deze wordt het.” Als Ton voorstelde om eens weer bij De Koperen Pan te eten, waar we al jaren kwamen, reageerde Arie met een duimpje en koos hij vervolgens toch iets anders.
Henk zei dat ik spijkers op laag water zocht. Hij genoot er zichtbaar van. Hij werkt inmiddels drie dagen per week, ik ben vorig jaar gestopt bij de apotheek. We letten heus niet op elke euro, maar wij gaan niet uit onszelf naar zaken waar een fles wijn meer kost dan onze hele zaterdagboodschappen.
“Maar wij betalen het toch niet?” zei Henk telkens.
Dat was precies wat mij ongemakkelijk maakte. Dat wij niet meer hoefden te betalen, betekende ook dat we minder te zeggen hadden. Zo voelde het tenminste.
De avond in Amsterdam was het ergst, al gebeurde er niets schreeuwerigs. Kees had een colbert aan dat ik nog kende van de bruiloft van zijn dochter. Hij trok er steeds aan bij zijn mouwen. Els fluisterde tegen mij dat ze vooraf thuis een boterham had gegeten omdat ze niet wist hoe laat het eten zou komen. Dat zei ze lachend, maar ik hoorde er iets anders onder.
Toen de ober vroeg of we koffie wilden, zei Arie: “Doe maar een ronde, en misschien nog een digestief.”
Lidy zei dat zij liever naar huis ging, omdat haar kleindochter die nacht bij haar zou slapen. Arie trok zijn wenkbrauwen op en zei: “Jeetje, Lidy, we zijn toch niet van suiker?”
Henk lachte. Niet hard, maar wel genoeg.
Ik schaamde me ineens voor hem, en daarna ook weer voor mezelf omdat ik daar zo zat te tellen wie er iets wel en niet mocht zeggen. Arie betaalde uiteindelijk bijna zeshonderd euro. Hij vertelde het niet letterlijk, maar hij liet de bon even open op tafel liggen toen hij zijn bril zocht.
Twee dagen later kwam het bericht in de app. Arie wilde vanaf de zomer elke maand naar Het Landgoed, een restaurant buiten de stad. Hij had daar via iemand een vaste tafel kunnen regelen. Er stond bij dat hij de diners “graag voor zijn rekening” nam, want hij wilde het leven vieren.
Els reageerde met een hartje. Kees met: “Wat gul, Arie.” Henk stuurde meteen: “Wij zijn erbij.”
Ik heb een uur naar mijn telefoon gekeken. Toen schreef ik dat ik het een lief aanbod vond, maar dat ik liever wilde dat we af en toe ook gewoon ergens eenvoudig konden eten, en dat iedereen zelf kon blijven kiezen en betalen als dat fijner was.
Er kwam lang niets.
Marjan stuurde uiteindelijk: “Ik snap wat Ria bedoelt wel.” Daarna bleef het stil.
Henk was kwaad toen hij het zag. Echt kwaad. Hij zei dat ik Arie voor schut zette in de groep en dat ik altijd iets moest maken van een aardig gebaar. “Je doet alsof hij ons koopt. Misschien wil hij gewoon eens uitpakken.”
“Dat mag hij toch ook? Maar wij mogen toch zeggen dat het niet elke keer zo hoeft?” zei ik.
Henk noemde me kneuterig. Dat woord bleef hangen. Alsof veertig jaar samen eten in gewone restaurants iets was om je voor te schamen.
De volgende ochtend zei hij minder hard dat hij het ook niet prettig vond dat Arie zo dominant deed, maar dat hij geen zin had in gedoe. Hij wilde niet degene zijn die een vriendschap kapotmaakte om een restaurantkeuze.
Dat wil ik ook niet. Ik wil Arie niet straffen omdat hij geld heeft gekregen. En misschien ben ik inderdaad te gevoelig voor dat soort verschillen. Ik ben opgegroeid met ouders die alles eerlijk verdeelden, soms tot het kinderachtige af. Bij ons thuis werd zelfs bijgehouden wie de benzine had betaald als we samen ergens heen gingen.
Maar gisteravond belde Marjan mij. Ze zei heel zacht dat Arie sinds de erfenis bang was dat mensen hem alleen nog maar om zijn geld aardig zouden vinden. Daarom betaalde hij steeds sneller, zei ze. Dan had hij tenminste zelf de regie. Ze klonk moe.
Ik heb gezegd dat ik hem dat niet kwalijk neem. Alleen weet ik niet of hij begrijpt dat regie iets anders is dan verbondenheid.
Volgende week is het weer de vaste donderdag. Henk gaat waarschijnlijk mee naar Het Landgoed. Ik heb nog niet afgezegd, maar ik heb ook niet toegezegd. Vanmiddag stuurde Lidy mij apart een berichtje: of ik misschien zin had om binnenkort gewoon bij haar thuis een kop soep te eten.
Ik heb ja gezegd. We hoeven er niet eens een groep van te maken.